ECLI:NL:PHR:2004:AR3029
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling redelijke termijn bij ontnemingsvordering en compensatie overschrijding inzendtermijn
In deze zaak stond de beoordeling van de redelijke termijn bij een ontnemingsvordering centraal. De termijn vangt aan op het moment dat de verdachte weet dat een strafrechtelijk financieel onderzoek tegen hem is ingesteld. Het hof stelde vast dat de redelijke termijn niet was overschreden, mede door de proceshouding van de verdachte en de complexiteit van de zaak. De overschrijding van de inzendtermijn in hoger beroep werd volgens het hof gecompenseerd door bijzondere voortvarendheid.
De Hoge Raad nuanceerde dit oordeel en stelde dat de motivering van het hof onvoldoende was om de overschrijding als gecompenseerd te beschouwen, omdat er bijna 19 maanden zaten tussen het instellen van het hoger beroep en de uitspraak, wat langer is dan de in de rechtspraak gehanteerde 16 maanden. De conclusie van de Procureur-Generaal was dat de overschrijding in dit geval wel ruim voldoende was gecompenseerd.
Daarnaast werd het beroep op overschrijding van de redelijke termijn door het hof terecht verworpen, omdat de vertraging in eerste aanleg mede te wijten was aan de verdediging. De Hoge Raad vernietigde het deel van het vonnis waarin vervangende hechtenis werd opgelegd en verwierp het beroep voor het overige. De betalingsverplichting werd verminderd, waarbij het hof niet verplicht was uitdrukkelijk te motiveren waarom het bedrag hoger was dan gevorderd door het Openbaar Ministerie.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigde het deel van het vonnis met vervangende hechtenis en verminderde de betalingsverplichting wegens onvoldoende motivering van compensatie overschrijding inzendtermijn.