ECLI:NL:PHR:2004:AR3138
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt verjaring vordering asbestschade na lange termijn en afwijzing beroep op redelijkheid en billijkheid
Eiser was van 1958 tot 1961 werkzaam bij een rederij waar hij blootgesteld werd aan asbest, wat in 1997 leidde tot de diagnose mesothelioom. Hij stelde Optimodal Nederland B.V. aansprakelijk, een vennootschap die in 1992 de activiteiten van de oorspronkelijke werkgever had overgenomen, maar die zelf geen personeel aan asbest had blootgesteld.
De kern van het geschil betrof de verjaring van de vordering op grond van artikel 3:310 BW Pro, waarbij eiser stelde dat toepassing van de verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. Zowel de rechtbank als het hof oordeelden dat de vordering was verjaard en dat het beroep op redelijkheid en billijkheid niet slaagde, mede vanwege het lange tijdsverloop tussen diagnose en aansprakelijkstelling.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel, verwijzend naar het arrest Van Hese/De Schelde, waarin is bepaald dat alle omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen bij de beoordeling van de redelijkheid van de termijn. De Hoge Raad vond geen onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijke motivering in het oordeel van het hof en verwierp het beroep van eiser, ook het beroep op artikel 6 EVRM Pro bood geen soelaas.
Het arrest benadrukt de complexiteit van verjaring in asbestzaken en bevestigt dat een termijn van ruim twee en een half jaar tussen diagnose en aansprakelijkstelling niet per definitie onredelijk is, zeker niet als de aangesproken partij geen rol heeft gespeeld in het vertraagde aansprakelijkstellen. De afweging van verschillende gezichtspunten door het hof werd als zorgvuldig en binnen de beoordelingsvrijheid beschouwd.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt dat de vordering wegens asbestschade is verjaard.