ECLI:NL:PHR:2004:AR3153
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt onzelfstandige woning bij bedrijfsruimte en bewijsaanbod niet-ontvankelijk
In deze zaak staat centraal of de woonruimte behorende bij een winkelpand moet worden aangemerkt als een onzelfstandige woning in de zin van art. 7A:1624 lid 2 (oud) BW. De huurder betwistte dit en stelde dat de huurprijs gesplitst moest worden, terwijl de verhuurder ontbinding en betaling van achterstallige huur vorderde.
De kantonrechter oordeelde aanvankelijk dat de woning geen onzelfstandige woning was, maar de rechtbank vernietigde dit vonnis en verklaarde de woning onzelfstandig. De rechtbank baseerde dit op bouwtechnische en bedrijfseconomische samenhang tussen winkel en woning, waaronder een inpandige verbinding, één wc, geen gescheiden meters en één huurprijs voor het geheel.
De huurder stelde in cassatie dat de rechtbank ten onrechte een bewijsaanbod had gepasseerd dat zou aantonen dat de vorige eigenaar de woning probleemloos aan een ander verhuurde. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank dit bewijsaanbod terecht niet ter zake dienend achtte, omdat de objectieve situatie en praktische bezwaren doorslaggevend zijn bij de kwalificatie van onzelfstandigheid, niet de subjectieve bedoeling of eerdere contracten.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de woning als onzelfstandig moet worden beschouwd, waarbij de bouwtechnische en economische samenhang doorslaggevend zijn.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de woonruimte een onzelfstandige woning is en wijst het cassatieberoep af wegens niet-terzake-dienend bewijsaanbod.