ECLI:NL:PHR:2004:AR3217

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00868/04
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 315 SvArt. 328 SvArt. 330 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verzoek tot horen getuigen in cassatie strafzaak ontucht minderjarige

In deze strafzaak is verdachte door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor ontucht met zijn minderjarige kind. De verdediging stelde in cassatie dat het hof niet had gereageerd op een verzoek tot het horen van vier getuigen, waaronder familieleden en betrokkenen die mogelijk relevant konden verklaren.

De Hoge Raad overweegt dat het verzoek tot het horen van getuigen onvoldoende stellig en duidelijk was geformuleerd om een verplichting tot het horen van deze getuigen op grond van art. 330 Sv Pro te doen ontstaan. Het hof had de verklaringen van de reeds gehoorde getuigen, waaronder het slachtoffer en familieleden, gemotiveerd als betrouwbaar beoordeeld en zag daarom geen noodzaak tot het horen van aanvullende getuigen.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet verplicht was om expliciet te reageren op het verzoek en dat het achterwege blijven van een beslissing op het verzoek niet leidt tot nietigheid van het onderzoek. Het cassatieberoep faalt en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Conclusie

Nr. 00868/04
Mr Machielse
Zitting 21 september 2004
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 11 september 2003 ter zake van ontucht plegen met zijn minderjarige kind, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
2. Namens verdachte heeft mr P.C. Snijder, advocaat te Amsterdam, beroep in cassatie ingesteld en hebben mr G.P. Hamer en mr A.M. Ficq-Kengen, advocaten te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3.1 Het middel bevat de klacht dat het hof niet heeft gerespondeerd op een door de verdediging gedaan verzoek tot het horen van een viertal getuigen.
3.2 Ter terechtzitting in hoger beroep is door de verdediging primair aangevoerd dat de door de het slachtoffer [slachtoffer], haar broer [zoon van verdachte] en hun moeder [vrouw van verdachte] afgelegde verklaringen niet overtuigend zijn. Verder is gesteld dat het opmerkelijk is dat er geen directe getuigen zijn geweest van het misbruik, bijvoorbeeld de broer [zoon van verdachte], de moeder [vrouw van verdachte] en de latere vriendinnen van verdachte, [betrokkene 1 en 2]. De verdediging heeft er voorts op gewezen dat de delicten lange tijd geleden hebben plaatsgevonden en dat de verhoorwijze van [zoon van verdachte] en [vrouw van verdachte] zodanig was dat de door hen afgelegde verklaringen onbetrouwbaar waren. Subsidiair heeft de verdediging het volgende aangevoerd:
"Subsidiair geeft de verdediging u in overweging om in het kader van de waarheidsvinding alsnog getuigen te horen.
Cliënt geeft uw hof in overweging om alsnog over te gaan tot aanhouding van de zaak en het nader horen van getuigen. Cliënt kan zich niet vinden in de verklaringen van [zoon van verdachte] en moeder [vrouw van verdachte] en zou hen gaarne nadere vragen stellen. Bovendien kunnen naar de mening van cliënt [betrokkene 1 en 2] relevant verklaren in deze. Mocht Uw Hof naar aanleiding van het bovenstaande de noodzaak zien tot het horen van getuigen, dan verzoekt cliënt over te gaan tot aanhouding en oproeping van deze getuigen."
Noch uit het proces-verbaal van de zitting noch uit het verkorte arrest blijkt dat het hof hierop heeft gereageerd. De vraag is of het hof daartoe wel was gehouden.
3.3 Het hof heeft de voor het bewijs gebruik gemaakt van verklaringen van verdachte, het slachtoffer [slachtoffer], [zoon van verdachte] en [vrouw van verdachte]. In een nadere bewijsoverweging heeft het hof het gevoerde bewijsverweer verworpen. Dit oordeel komt erop neer dat de verklaringen van van [zoon van verdachte] en [vrouw van verdachte] bruikbaar zijn voor het bewijs, nu de wijze waarop zij zijn verhoord de betrouwbaarheid daarvan niet op onaanvaardbare wijze heeft aangetast, zij beiden over hun eigen waarneming hebben verklaard en overigens niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat de verklaringen niet betrouwbaar zijn.
3.4 De verdediging heeft op grond van het bepaalde in art. 315 Sv Pro de bevoegdheid de rechter te verzoeken getuigen op te roepen. Het verzoek moet voldoende stellig en duidelijk zijn omschreven, de te horen getuigen moeten met name zijn vermeld.(1) De rechter dient op een dergelijk verzoek een beslissing te nemen, zie art. 328 Sv Pro. Het achterwege blijven van die beslissing heeft nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting tot gevolg, zie art. 330 Sv Pro.(2) De beslissing moet worden opgenomen in het proces-verbaal van de zitting of in het verkorte arrest(3), afwijzing van het verzoek in het aanvullende arrest is niet toegestaan.(4)
3.5 Het hof heeft in het betoog van de advocaat kennelijk niet een verzoek gezien dat voldoende stellig was geformuleerd om art. 330 Sv Pro in beeld te brengen. Het hof heeft het betoog kennelijk aldus verstaan dat enkel indien het hof de mening van de verdediging zou volgen dat het schortte aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de door de advocaat genoemde personen ('naar aanleiding van het bovenstaande') deze personen nader zouden moeten worden gehoord.(5) Het hof heeft uitdrukkelijk in zijn Nadere bewijsoverwegingen in de aanvulling van het verkort arrest gemotiveerd waarom het de verklaringen van de getuigen voldoende betrouwbaar achtte om die voor het bewijs te bezigen. Vandaar dat het hof zich ontslagen achtte van de verplichting om nog eens expliciet te reageren op het gevoerde betoog. De uitleg die het hof aan het gevoerde betoog heeft gegeven acht ik niet onbegrijpelijk en het hof heeft kunnen menen dat het door de Nadere bewijsoverwegingen voldoende aan de bezwaren van de verdediging is tegemoetgekomen.
Het middel faalt.
4. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 HR NJ 2000, 128.
2 Zie onder meer HR NJ 2002, 218; HR 16 september 2003, nr. 00359/03; HR 3 februari 2004, 00557/03; Corstens, 4e druk, p. 533.
3 HR NJ 1991, 772; HR NJ 2001, 500.
4 HR 23 maart 2004, LJN: AO3254.
5 Vgl. HR 21 oktober 2003, LJN AL3458; HR 27 april 2004, nr. 01559/03.