ECLI:NL:PHR:2004:AR3230

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01337/04
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 141 SrArt. 81 SrArt. 6 EVRMArt. 88 SrArt. 136 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens openlijke geweldpleging met letsel op openbare weg te Rotterdam

Op 27 april 2001 heeft verdachte samen met anderen op de openbare weg te Rotterdam geweld gepleegd tegen drie slachtoffers. Het hof heeft bewezen verklaard dat verdachte onder meer meerdere malen heeft geschopt en geslagen, wat heeft geleid tot diverse lichamelijke letsels bij de slachtoffers, waaronder hersenschudding, bewusteloosheid en bloeduitstortingen.

Verdachte werd door het hof veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf wegens openlijke geweldpleging met letsel. In cassatie werden meerdere middelen aangevoerd, waaronder overschrijding van de redelijke termijn en onvoldoende bewijs dat het geweld van verdachte zelf het letsel heeft veroorzaakt.

De Hoge Raad oordeelde dat de bewezenverklaring, ondanks het gebruik van alternatieven ('en/of'), voldoende is onderbouwd door bewijsmiddelen waaruit blijkt dat verdachte zelf het letsel heeft toegebracht. Tevens werd geoordeeld dat de redelijke termijn niet is overschreden omdat de cassatie binnen een redelijke termijn werd behandeld.

Verder werd bevestigd dat de zwaardere strafbedreiging uit art. 141 lid 2 Sr Pro alleen geldt voor degene die persoonlijk het letsel heeft toegebracht, en niet voor mededaders. Het verweer dat de term 'in vereniging' kwalificatief is en onvoldoende omschreven, werd verworpen. Het cassatieberoep werd verworpen en de veroordeling gehandhaafd.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte tot vier maanden gevangenisstraf wegens openlijke geweldpleging met letsel.

Conclusie

Nr. 01337/04
Mr Jörg
Zitting 28 september 2004 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[verzoeker = verdachte]
1. Verzoeker is door het gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 15 september 2003 wegens openlijke geweldpleging met letsel als gevolg veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf. Voorts heeft het hof de vordering van twee benadeelde partijen toegewezen, een en ander als in het arrest vermeld. Voorts heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf.
2. Namens verzoeker heeft mr R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden.
4. Namens verzoeker is op 18 september 2003 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 24 mei 2004 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden met zes(1) dagen is overschreden. Een dergelijke overschrijding kan ingevolge HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721 m.nt. JdH worden gecompenseerd door een bijzonder voortvarende behandeling van het cassatieberoep. Daarvan zal sprake kunnen zijn indien de Hoge Raad op uiterlijk 18 januari 2004 arrest wijst. In dat geval is ten aanzien van de cassatiefase als geheel geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn.
5. Aangezien het mij verre van waarschijnlijk voorkomt dat Uw Raad die datum niet zal kunnen halen concludeer ik dat het middel faalt.
6. Het tweede middel bevat de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat het door verzoeker uitgeoefende geweld het bewezenverklaarde letsel van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad.
7. Het hof heeft ten laste van verzoeker bewezenverklaard dat:
"hij op 27 april 2001 te Rotterdam, op de openbare weg, de Verlengde Willemsbrug, openlijk in vereniging, geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], welk geweld bestond uit:
- het meermalen schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en
- het slaan tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] en/of
- het meermalen slaan tegen het hoofd en in het gezicht van die [slachtoffer 3] (terwijl die [slachtoffer 3] op de grond lag),
terwijl het door hem, verdachte, gepleegd geweld enig lichamelijk letsel te weten
- afgebroken van(2) (een) kie(s)(zen) en/of een hersenschudding voor [slachtoffer 1] en/of
- pijn in het hoofd en bewustzijnsverlies voor [slachtoffer 2] en/of
- een bloeduitstorting rondom het linkeroog en/of kneuzing aan de kaak en/of aan de rechter oorschelp en/of een lichte zwelling bij de linker slaap en/of een lichte hersenschudding en/of een oppervlakkig schaafwondje op het voorhoofd voor [slachtoffer 3] ten gevolge heeft gehad"
8. In HR 6 maart 1990, NJ 1990, 637 m.nt. GEM overwoog de Hoge Raad als volgt, voor zover thans van belang:
"5.1. De M.v.T. op het huidige art. 141 Sr Pro houdt o.m. in:
"Uit de voor de strafverzwaringen in geval van goederenvernieling en van lichaamsleed gekozen bewoordingen blijkt ondubbelzinnig, dat de zwaardere strafbedreiging beperkt is tot hen, die persoonlijk eenig goed hebben vernield of wier daden lichamelijk leed, zwaar lichamelijk letsel of den dood voor iemand hebben ten gevolge gehad. Onbillijk ware het, de verzwaring toe te passen op ieder, die deelneemt aan eene geweldpleging waarin door daden van anderen de bedoelde ernstige gevolgen zijn ontstaan."
5.2. Op grond van de wetsgeschiedenis voor zover hiervoren weergegeven moet worden aangenomen dat het tweede lid van art. 141 Sr Pro aldus is te verstaan dat de daarin vermelde zwaardere strafbedreigingen uitsluitend betrekking hebben op de dader van het in het eerste lid omschreven misdrijf van wie komt vast te staan dat hij zelf goederen heeft vernield onderscheidenlijk dat het door hemzelf gepleegde geweld een van de telkens onder 1e, 2e of 3e omschreven gevolgen heeft gehad."
9. De wetswijziging van 25 april 2000, Stb. 173 oefent op deze interpretatie geen invloed uit. Teneinde verzoeker strafrechtelijk te kunnen aanspreken voor het in de bewezenverklaring vermelde lichamelijk letsel van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] is derhalve noodzakelijk dat vaststaat dat het door verzoeker zelf gepleegde geweld tot dit gevolg heeft geleid.
10. Gelet op de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof kennelijk als volgt geredeneerd:
- [Slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] verlieten op 27 april 2001 horecagelegenheid Waterfront te Rotterdam. Kort nadat ze dit lokaal hadden verlaten, werd [slachtoffer 2] door verzoeker - die in beschonken toestand verkeerde - en diens mededaders geslagen en geschopt. Verzoeker gaf [slachtoffer 2] een vuistslag in het gezicht. Daarna raakte [slachtoffer 2] buiten bewustzijn en kwam hij ten val (bewijsmiddelen 1, 3, 4 en 5).
- Vervolgens kwam [slachtoffer 1] tussenbeide en heeft hij [slachtoffer 2] geholpen met opstaan. Even verderop heeft verzoeker drie à vier maal [slachtoffer 1] tegen het lichaam geschopt, terwijl die [slachtoffer 1] ook door verzoekers mededaders werd geschopt toen hij op de grond lag (bewijsmiddelen 1, 4 en 5). [Slachtoffer 1] heeft aan de geweldpleging de volgende letsels overgehouden: een hersenschudding met bewusteloosheid en geheugenverlies; een flinke bult op het voorhoofd; een kneuzingen van de kaak, schouder en rugspieren; bloeduitstorting rondom het rechteroog, op de benen en de knieën; krasverwondingen in de nek en de onderrug; gebitsschade (bewijsmiddel 7).
- Daarna gaf verzoeker [slachtoffer 3] een trap tegen het bovenbeen, schopte hij opzettelijk en met geschoeide voeten enkele malen tegen diens hoofd en gaf hij hem twee à drie vuistslagen in het gezicht (bewijsmiddelen 2, 4 en 5). [Slachtoffer 3] heeft aan de geweldpleging de in de bewezenverklaring vermelde letsels overgehouden (bewijsmiddel 6).
11. In aanmerking genomen dat het hof in de bewezenverklaring heeft opgenomen dat verzoeker aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] de in de bewezenverklaring genoemde, en telkens als "en/of" gepresenteerde alternatieve mogelijke letsel heeft toegebracht, is de bewezenverklaring voldoende met redenen omkleed (vgl. HR 6 mei 2003, NJ 2003, 710 m.nt. Sch, rov. 5.3). Uit de bewijsmiddelen kan immers worden afgeleid dat [slachtoffer 2] tengevolge van verzoekers vuistslagen buiten bewustzijn raakte en dat de overige in de bewezenverklaring vermelde letsels mogelijkerwijs ("en/of") zijn toe te schrijven aan verzoeker.(3) Daarbij teken ik aan dat door of namens verzoeker in hoger beroep niet is betwist dat zijn specifieke geweldshandelingen tot de in de bewezenverklaring vermelde letsels hebben geleid (vgl. HR 20 april 2004, LJN: AN9379, rov. 7.4).
12. Het middel faalt.
13. Het derde middel is gericht tegen de verwerping door het hof van het verweer dat de tenlastegelegde term "in vereniging" van kwalificatieve aard is en niet nader is omschreven zodat verzoeker van alle rechtsvervolging diende te worden ontslagen.
14. Het hof heeft een desbetreffend ter zitting gevoerd verweer met juistheid verworpen. Aan die argumentatie kan ik nog toevoegen $ 29 van de op 17 augustus 2004 genomen conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens in de zaak 02822/03, LJN: AQ8466.
"Zoals bij de telastelegging van medeplegen met de woorden "tezamen en in vereniging met een of meer anderen" voldoende feitelijk is aangegeven dat het om medeplegen gaat, zonder dat nader behoeft te worden uitgewerkt wie die anderen waren en/of wie wat heeft gedaan, kan bij telastelegging van art. 141 Sr Pro voor wat betreft dit bestanddeel worden volstaan met de woorden "in vereniging" (vgl. HR 11 november 2003, LJN AL6209, JOL 2003, 573 (NJ) waarin als telastelegging werd aanvaard "met een ander of anderen in vereniging" plegen van geweld door etc.). Dat hier bij de woorden "in vereniging" niet staat "met anderen, althans een ander" betekent niet dat de zinsnede "in vereniging" zijn feitelijke betekenis heeft verloren."
15. Het middel faalt.
16. De middelen kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad ambtshalve de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 HR 16 januari 2001, 01634/99, LJN: ZD2395: op de inzendtermijn is noch art. 88 Sr Pro, noch art. 136 Sv Pro van toepassing; de Algemene Termijnenwet is ook niet van toepassing, reeds omdat ingevolge art. 4, aanhef en onder a, die wet niet geldt voor een termijn die is omschreven in meer dan 3 maanden.
2 Door schrapping van het woordje 'van' verandert de zin van krom in min of meer acceptabel Nederlands. Een verdergaande mandatering van de dagvaardingsbevoegdheid behoort mijns inziens niet gepaard te gaan met een verdergaande verloedering van het gebruik van de Nederlandse taal in gerechtelijke beslissingen.
3 Ik zit wel even met de vraag of [slachtoffer 2] letsel in de zin der wet heeft opgelopen. Pijn in het hoofd is op zichzelf geen letsel; is bewusteloosheid dat wel? En wat te denken van het derde lid van art. 141 Sr Pro dat art. 81 Sr Pro hier buiten toepassing verklaart? (Aantekening 3 van Wemes/Cleiren & Nijboer op art. 81 in Pro T&C Sr, 5e, snap ik niet voor zover in de opsomming van relevante delicten art. 141 wordt Pro vermeld.) Nu over een en ander in cassatie niet wordt geklaagd ga ik hier verder aan voorbij.