ECLI:NL:PHR:2004:AR3426

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C03/267HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing vordering wegens onvoldoende bewijs van overeenkomst met Nipatex

Direct Select BV vorderde betaling van een factuur van bijna 6.000 gulden van Nipatex BV voor verrichte werkzaamheden. Nipatex betwistte het bestaan van een overeenkomst en stelde dat, indien al een overeenkomst bestond, deze met de gelieerde en inmiddels failliete Panic BV was gesloten.

De Kantonrechter wees de vordering toe, maar in hoger beroep werd de vordering afgewezen omdat Direct Select onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de overeenkomst met Nipatex was gesloten. De rechtbank gaf Direct Select bovendien een bewijsopdracht die zij niet kon nakomen.

In cassatie betoogde Direct Select dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat zij onvoldoende bewijs had geleverd. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank haar oordeel niet onbegrijpelijk had gegeven en dat de bewijslast bij Direct Select lag. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de vordering van Direct Select tegen Nipatex afgewezen wegens onvoldoende bewijs van een overeenkomst.

Conclusie

Rolnr. C03/267HR
mr J. Spier
Zitting 24 september 2004
Conclusie inzake
Direct Select BV
(hierna: DS)
tegen
Nipatex BV
Inzet van de procedure en korte schets van het procesverloop
1. De inzet van deze procedure is een vordering ten belope van f 5967,85 die DS pretendeert te hebben op Nipatex ter zake van verrichte werkzaamheden.
2. Voor zover thans nog van belang heeft Nipatex aangevoerd dat als een overeenkomst tot stand zou zijn gekomen - hetgeen zij betwist - zulks is geschied met de - aan haar gelieerde en inmiddels failliet verklaarde - Panic BV.
3. De Kantonrechter te Tilburg heeft de vordering bij vonnis van 20 december 2001 toegewezen.
4. In appèl heeft de Rechtbank in haar tussenvonnis van 17 september 2002 DS te bewijzen opgedragen dat zij met Nipatex een overeenkomst heeft gesloten.
5. Na het horen van getuigen heeft de Rechtbank het bestreden vonnis vernietigd en de vordering afgewezen.
6. DS heeft zich tijdig van beroep in cassatie voorzien. Tegen Nipatex is verstek verleend.
Bespreking van de klachten
7. Het eerste middel valt uiteen in vijf klachten. Het eerste onderdeel behelst een inleiding.
8. De onderdelen 2 en 3, gelezen in onderlinge samenhang, verwijten de Rechtbank te hebben miskend dat voorshands voldoende aannemelijk was dat DS met Nipatex had gecontracteerd. In dat verband wordt gewezen op:
a. de door de Rechtbank vastgestelde feiten - rov. 3.3 van haar tussenvonnis -;
b. een bij de getuigenverhoren overgelegde brief;
c. de omstandigheid dat Nipatex als enig verweer tegen de factuur heeft ingebracht dat de gesprekken vrijblijvend waren;
d. de verklaring van de getuige [betrokkene 1].
e. de omstandigheid dat door [betrokkene 1] namens Nipatex de antwoordkaart is teruggestuurd.
9. De onder 8 b en d genoemde omstandigheden zijn in dit verband al aanstonds zonder gewicht. Immers kon de Rechtbank daarvan in haar tussenvonnis niet uitgaan omdat zij toen nog niet bekend waren.
10. Ik loop vervolgens het belang van de vaststaande feiten vermeld in genoemde rov. 3.3 langs:
ad a: het belang daarvan is mij niet duidelijk;
ad b: dat namens Nipatex werd gereageerd op een ongevraagde mailing van DS legt, nu [betrokkene 1] directeur was van drie vennootschappen waaronder Nipatex en Panic, weinig gewicht in de schaal;
ad c: zo deze omstandigheid van belang is, maakt zij duidelijk dat aannemelijk is dat het ging om een overeenkomst met Panic;
ad d: de vraag aan wie DS een factuur stuurt, kan bezwaarlijk meebrengen dat voldoende aannemelijk is dat deze aan de juiste vennootschap is gericht;
ad e: deze omstandigheid - waarop ook de onder 8 sub c weergegeven klacht de aandacht vestigt - is inderdaad een zekere aanwijzing voor de juistheid van het betoog van DS.
11. Reeds op grond van de in tegengestelde richting wijzende omstandigheden, hiervoor onder 10 c en e besproken, faalt de klacht. Allerminst kan worden gezegd dat voorshands voldoende aannemelijk was dat de door DS betrokken stelling juist was en nog minder dat onbegrijpelijk is dat de Rechtbank niet tot dat oordeel is gekomen.
12. Daar komt nog bij dat de Rechtbank heeft aangegeven dat het document waarop DS haar kaarten zet en dat door haar zelf is opgesteld door [betrokkene 1] is getekend namens Panic. Ook daarom is alleszins begrijpelijk waarom de Rechtbank er niet voorshands van uit is gegaan dat DS haar stellingen voorshands voldoende aannemelijk heeft gemaakt.
13. Voor zover onderdeel 1.4 meer of andere klachten bedoelt te vertolken dan hiervoor besproken, is het onbegrijpelijk. Het miskent in elk geval dat de bewijslast op DS rustte en dat op de hierboven aangegeven gronden alleszins begrijpelijk is dat en waarom de Rechtbank het bewijs van de (juistheid van de) stellingen van DS niet voorshands geleverd heeft geacht.
14. Onderdeel 1.5 valt in herhalingen en faalt op dezelfde gronden.
15. Middel II kant zich tegen het eindvonnis. De onderdelen 1 en 2 bevatten geen klacht.
16. Onderdeel 3 bouwt, als ik het goed zie, geheel voort op middel I. Het faalt op dezelfde gronden.
17. Onderdeel 4 berust op een misvatting. De aan Nipatex verstrekte bewijsopdracht ziet niet op de vraag met wie is gecontracteerd maar of is gecontracteerd. Dat Nipatex niet kan bewijzen dat geen overeenkomst tot stand is gekomen, betekent - uiteraard - niet dat de overeenkomst dús tussen Nipatex en DS totstand is gekomen.
18. Onderdeel 5 laboreert goeddeels aan hetzelfde euvel en stuit daarop af. Voor het overige ziet het eraan voorbij dat waardering van de getuigenverklaring(en) en de andere stukken is voorbehouden aan de feitenrechter. Onbegrijpelijk is het oordeel van de Rechtbank allerminst, alleen al niet omdat - ook volgens de verklaring van haar eigen directeur - in een van DS zelf afkomstig en door haar opgesteld stuk de naam van Panic is vermeld, terwijl deze directeur niet weet "hoe het kan dat Panic BV onderaan het schrijven is vermeld" (rov. 2.4 van het eindvonnis).
19. De onderdelen 6 en 7 bieden, voor zover al begrijpelijk, geen nieuwe gezichtspunten. Zij falen daarom eveneens.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal