ECLI:NL:PHR:2004:AR3660

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01017/04
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 588 lid 3 sub c Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid betekening dagvaarding wegens onjuiste adresgegevens en onvoldoende onderzoek

In deze zaak stond verdachte terecht voor medeplegen van bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht. De kern van het cassatieberoep betrof de geldigheid van de betekening van de dagvaarding. De dagvaarding was aangeboden op een adres waar verdachte volgens de GBA was ingeschreven, maar niet uitgereikt omdat verdachte daar niet woonde. Vervolgens werd de dagvaarding aan de griffier uitgereikt en als gewone brief naar dat adres verzonden.

Uit stukken bleek dat verdachte op het moment van verzending niet meer op dat adres stond ingeschreven, maar was uitgeschreven met de status 'vertrokken onbekend waarheen'. Het hof had het verweer van nietigheid van de dagvaarding verworpen met verwijzing naar een GBA-overzicht dat verdachte nog ingeschreven zou zijn. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft onderzocht of verdachte gedetineerd was of een feitelijke woon- of verblijfplaats had, terwijl dit volgens eerdere jurisprudentie noodzakelijk is bij onduidelijkheid over het adres.

De Hoge Raad verklaart het middel gegrond en vernietigt het arrest van het hof, behoudens het vonnis van de politierechter. De dagvaarding wordt nietig verklaard wegens niet-naleving van de voorgeschreven betekeningprocedure. Dit arrest benadrukt het belang van zorgvuldig onderzoek naar de verblijfplaats van de verdachte bij betekening van processtukken.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de dagvaarding wordt nietig verklaard wegens onjuiste betekening.

Conclusie

Nr. 01017/04
Mr. Vellinga
Zitting: 5 oktober 2004
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens "medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht" veroordeeld tot een geldboete van € 350,- subsidiair zeven dagen hechtenis.
2. Namens verdachte heeft mr. G.P. Hamer, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel behelst de klacht dat het Hof het verweer dat de betekening van de dagvaarding in eerste aanleg aan nietigheid lijdt ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.
4. Het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 27 februari 2003 houdt ter zake dienende het volgende in:
"De raadsman doet een beroep op nietigheid van de inleidende dagvaarding, daartoe stellende dat de verdachte op 2 november 1998 niet woonachtig was op het adres [a-straat 1] te [plaats], waar op die datum getracht is de dagvaarding uit te reiken en waar de dagvaarding, na op 18 november 1998 aan de griffier te zijn uitgereikt, op diezelfde datum als gewone brief naartoe is verzonden. De verdachte woonde destijds op het adres [b-straat 1] te [plaats], hetgeen - naar hij veronderstelt - destijds in [plaats] bekend was, aldus de raadsman.
De verdachte deelt desgevraagd mede dat hij zich niet, zoals blijkt uit een zich bij de stukken bevindend bewijs van uitschrijving uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van 23 november 1998, op 5 november 1998 heeft doen uitschrijven naar "onbekend".
De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de inleidende dagvaarding geldig is, nu deze volgens de wet is uitgereikt.
Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissing van het Hof mede dat het verweer van de raadsman betreffende de geldigheid van de inleidende dagvaarding wordt verworpen, nu het Hof op basis van de stukken van het dossier, meer bepaald voormeld uitschrijvingsbewijs, heeft vastgesteld dat deze dagvaarding op de door de wet voorgeschreven wijze is uitgereikt".
5. Bij de stukken bevindt zich een akte van uitreiking behorend bij de inleidende dagvaarding, waarop staat vermeld dat de dagvaarding op 2 november 1998 is aangeboden op het adres [a-straat 1] te [plaats], maar dat deze niet is uitgereikt, omdat volgens de mededeling van degene die zich op het adres bevond, de geadresseerde daar niet woont noch verblijft en al een paar maanden weg is. De dagvaarding is vervolgens op 18 november 1998 aan de griffier uitgereikt. Op de akte is aangekruist dat de geadresseerde, blijkens de aan deze akte gehechte mededeling van de afdeling bevolking van diens woongemeente op de dag van de aanbieding van de gerechtelijke brief en tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de Basisadministratie persoonsgegevens op het op deze akte vermelde adres was ingeschreven. De dagvaarding is vervolgens op 18 november 1998 als gewone brief naar het adres [a-straat 1] te [plaats] verzonden.
6. Bij de stukken bevindt zich voorts een verwerkingsoverzicht GBA-gegevens d.d. 14 november 1998. Als adres van verdachte per 13 november 1998 is opgenomen [a-straat 1] te [plaats]. Als begindatum van dit adres is opgenomen 23 september 1996. Op dit overzicht is aangegeven dat het adres in onderzoek is. Een zich bij de stukken bevindend verwerkingsoverzicht GBA-gegevens d.d. 4 maart 1999 geeft aan dat verdachte op dat moment niet is ingeschreven in de GBA en vermeld als historisch adres [a-straat 1]. Bij status persoon is de E van geëmigreerd opgenomen met als datum van ingang 5 november 1998. Uit een verwerkingsoverzicht GBA-gegevens van 29 juli 2000 blijkt dat verdachte per 19 maart 1999 is ingeschreven op het adres [b-straat 1] te [plaats]. Het ten behoeve van de aanzegging in cassatie opgevraagde historisch overzicht van de GBA-gegevens stemt met het voorgaande overeen.
7. Tot slot bevindt zich bij de stukken een origineel bewijs van uitschrijving van verdachte uit de Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Ronde Venen. Dit bewijs afgegeven te [plaats] op 23 november 1998, vermeldt dat verdachte op 5 november 1998 is uitgeschreven.
8. Gelet op de datering van het onder 7 genoemde stuk en bij gebreke van bewijs van het tegendeel ga ik ervan uit dat dit stuk zich ten tijde van de behandeling door de politierechter in het dossier bevond.
9. In dit geval is gepoogd de dagvaarding te betekenen op adres waar de verdachte aanvankelijk stond ingeschreven, te weten [a-straat 1] te [plaats]. Na betekening aan de griffier is de dagvaarding als gewone brief verzonden naar het GBA-adres. Uit het GBA-overzicht van 14 november 1998 kon worden afgeleid dat verdachte was ingeschreven op dat adres en dat aan de 'vijf dagen termijn' als bedoeld in art. 588, derde lid onder 3, Sv was voldaan. Tot zover lijkt de betekening op de door de wet voorschreven wijze te hebben plaatsgevonden. Uit een later document, te weten het bewijs van uitschrijving uit de GBA, rijst echter het ernstige vermoeden dat de informatie in het GBA-overzicht van 14 november 1998 niet juist was. Gedurende de 'vijf dagen termijn' is de status van ingeschrevene veranderd in die van vertrokken "onbekend waarheen".
10. Aan deze omstandigheid hadden de Politierechter en het Hof niet zonder meer voorbij mogen gaan. In HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317 m.nt. Sch. wordt immers in rov. 3.15 overwogen:
"Wanneer geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de dagvaarding teruggestuurd naar de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Vervolgens kan zij worden uitgereikt aan de griffier van de rechtbank van het arrondissement waarbinnen de zaak zal dienen. De dagvaarding is dan rechtsgeldig betekend op voorwaarde dat bij adresverificatie blijkt dat de verdachte op de dag waarop de dagvaarding op het GBA-adres is aangeboden en tenminste vijf dagen nadien op dat adres was ingeschreven. De griffier zendt vervolgens de dagvaarding onverwijld als gewone brief over de post aan het GBA-adres (art. 588 lid 3 sub Pro c), ook indien de verdachte ten tijde van die verzending niet meer op dat adres was ingeschreven. Indien evenwel blijkt dat de verdachte gedurende die termijn van vijf dagen naar een ander GBA-adres is overgeschreven, dient de betekeningsprocedure opnieuw een aanvang te nemen. Blijkt dat hij in die termijn van vijf dagen is vertrokken "onbekend waarheen", dan dient te worden gehandeld als hierna onder 3.23 - 3.25 vermeld."
11. In de overwegingen 3.23 tot en met 3.25 van genoemde arrest wordt aangegeven hoe gehandeld moet worden bij de betekening van de dagvaarding aan een verdachte die geen bekende woon- of verblijfplaats heeft. Er zal moeten worden nagegaan of de verdachte niet gedetineerd is en of er een feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte bekend is. Zowel van een onderzoek naar mogelijke detentie als van een onderzoek naar een feitelijke woon- of verblijfplaats blijkt in deze zaak niet.
12. In het licht van het voorgaande acht ik de overweging van het Hof dat de dagvaarding op de bij de wet voorgeschreven wijze is uitgereikt onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd.
13. Het middel is terecht voorgesteld. Hoewel strikt genomen een feitelijk onderzoek zou dienen te worden verricht naar de vraag of verdachte in genioemde "vijf dagen"-termijn is uitgeschreven zou ik er gezien de inhoud van in het dossier aanwezige uittreksels uit het GBA, anders dan die van 14 november 1998, wel van durven uitgaan dat verdachte inderdaad op 5 november 1998 is uitgeschreven uit het GBA.
14. Deze conclusie strekt ertoe dat Uw Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, behoudens voorzover daarbij het vonnis van de Politierechter van 20 januari 1999 is vernietigd, en de inleidende dagvaarding nietig zal verklaren.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG