ECLI:NL:PHR:2004:AR4046
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beëindiging schuldsaneringsregeling wegens ontstaan bovenmatige schulden tijdens toepassing
In deze zaak stond centraal of de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van verzoekers terecht is beëindigd op grond van art. 350 lid 3 onder Pro d Faillissementswet vanwege het ontstaan van bovenmatige schulden tijdens de looptijd van de regeling.
De rechtbank Zwolle had de regeling beëindigd omdat verzoekers nieuwe schulden hadden laten ontstaan ter hoogte van € 3.363,80, waarvan een bedrag van € 2.663,80 als bovenmatig werd gekwalificeerd. Verzoekers gingen in hoger beroep en betwistten het ontstaan van een aantal schulden en stelden dat zij deze kunnen aflossen vóór het einde van de regeling. Het hof Arnhem bekrachtigde het vonnis en oordeelde dat er nieuwe schulden van ruim € 2.200,- waren ontstaan die bovenmatig waren, en dat verzoekers onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zij deze kunnen aflossen.
In cassatie klaagden verzoekers onder meer over het ontbreken van hoor en wederhoor, de motivering van het hof over de bovenmatigheid van de schulden, en het ontbreken van een grensbedrag voor bovenmatige schulden. De Hoge Raad verwierp deze klachten, oordeelde dat het hof terecht het totaalbedrag van de schulden als bovenmatig heeft gekwalificeerd, dat verwijtbaarheid van het ontstaan van schulden wordt verondersteld tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt, en dat het hof voldoende heeft gemotiveerd waarom de regeling beëindigd kon worden.
De Hoge Raad concludeerde dat de beëindiging van de schuldsaneringsregeling terecht was en verwierp het cassatieberoep.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de beëindiging van de schuldsaneringsregeling wegens het ontstaan van bovenmatige schulden tijdens de regeling.