ECLI:NL:PHR:2004:AR4322
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling spoedige beslissing bij verlenging machtiging gesloten uithuisplaatsing minderjarige
De zaak betreft een minderjarige die onder toezicht is gesteld en in een gesloten inrichting is geplaatst wegens ernstige gedragsproblemen. De kinderrechter heeft meerdere malen de machtiging tot gesloten uithuisplaatsing verlengd, waarna het hof deze verlenging heeft bekort maar wel gehandhaafd. De minderjarige heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld en vervolgens cassatie.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk omdat de termijn van de machtiging inmiddels is verstreken, waardoor het belang ontbreekt. Desondanks bespreekt de Hoge Raad het eerste cassatiemiddel dat ziet op de vraag of de beslissing van het hof spoedig is genomen in de zin van art. 5 lid 4 EVRM Pro en art. 37 IVRK Pro.
De Hoge Raad analyseert de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en stelt dat de beoordeling van 'spoedig' afhankelijk is van de aard van de vrijheidsbeneming, de duur van de maatregel, de complexiteit van de zaak en het gedrag van de betrokkenen. In deze zaak acht het hof de termijn van 54 dagen tussen hoger beroep en zitting, plus 8 dagen tot uitspraak, nog spoedig. De Hoge Raad nuanceert dit oordeel, wijzend op het belang van een onverwijlde beslissing bij minderjarigen volgens het IVRK.
Uiteindelijk concludeert de Hoge Raad dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is, maar dat het middel terecht is voorgesteld en van belang is voor de rechtsontwikkeling omtrent de spoedigheid van beslissingen over vrijheidsbenemende maatregelen bij minderjarigen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de minderjarige wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang, maar het middel over de spoedigheid van de beslissing wordt als terecht erkend.