ECLI:NL:PHR:2004:AR4322

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R04/002HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 4 EVRMArt. 37 IVRKArt. 1:261 lid 3 BWArt. 7 Uniform reglement gerechtshoven
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling spoedige beslissing bij verlenging machtiging gesloten uithuisplaatsing minderjarige

De zaak betreft een minderjarige die onder toezicht is gesteld en in een gesloten inrichting is geplaatst wegens ernstige gedragsproblemen. De kinderrechter heeft meerdere malen de machtiging tot gesloten uithuisplaatsing verlengd, waarna het hof deze verlenging heeft bekort maar wel gehandhaafd. De minderjarige heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld en vervolgens cassatie.

De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk omdat de termijn van de machtiging inmiddels is verstreken, waardoor het belang ontbreekt. Desondanks bespreekt de Hoge Raad het eerste cassatiemiddel dat ziet op de vraag of de beslissing van het hof spoedig is genomen in de zin van art. 5 lid 4 EVRM Pro en art. 37 IVRK Pro.

De Hoge Raad analyseert de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en stelt dat de beoordeling van 'spoedig' afhankelijk is van de aard van de vrijheidsbeneming, de duur van de maatregel, de complexiteit van de zaak en het gedrag van de betrokkenen. In deze zaak acht het hof de termijn van 54 dagen tussen hoger beroep en zitting, plus 8 dagen tot uitspraak, nog spoedig. De Hoge Raad nuanceert dit oordeel, wijzend op het belang van een onverwijlde beslissing bij minderjarigen volgens het IVRK.

Uiteindelijk concludeert de Hoge Raad dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is, maar dat het middel terecht is voorgesteld en van belang is voor de rechtsontwikkeling omtrent de spoedigheid van beslissingen over vrijheidsbenemende maatregelen bij minderjarigen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de minderjarige wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang, maar het middel over de spoedigheid van de beslissing wordt als terecht erkend.

Conclusie

Rekestnr. R04/002HR
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Parket, 10 september 2004
Conclusie inzake:
[verzoeker]
tegen
Werkstichting Jeugdbescherming Groningen
1. Feiten en procesverloop(1)
1.1 Verzoeker tot cassatie, [verzoeker], is geboren op [geboortedatum] 1988. [Verzoeker] was woonachtig bij zijn moeder, die met het gezag over hem is belast.
1.2. Bij inleidend verzoekschrift van 17 september 2002 heeft de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Groningen, de kinderrechter in de rechtbank Groningen verzocht [verzoeker] onder toezicht te stellen.
In een aanvullend verslag is voorts verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing van [verzoeker] in een gesloten setting te verlenen. Aan dit laatste verzoek heeft de Raad ten grondslag gelegd:
- dat de gedragsproblemen van [verzoeker] verergeren, en dat hij zich in toenemende mate schuldig maakt aan het plegen van ernstige delicten;
- dat er een groot risico van verder afglijden bestaat;
- dat er sprake is van schoolverzuim;
- dat plaatsing in een open setting gezien zijn houding en gedrag niet langer haalbaar is omdat een gewenste gedragsverandering hier niet gerealiseerd zal kunnen worden.
1.3 De kinderrechter heeft [verzoeker] bij beschikking van 9 oktober 2002 onder toezicht gesteld van verweerster in cassatie, de Werkstichting Jeugdbescherming te Groningen, voor de duur van één jaar en tevens machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [verzoeker] in een gesloten inrichting als bedoeld in art. 1:261 lid 3 BW Pro voor de duur van drie maanden met ingang van de datum beschikking.
1.4 De machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten inrichting is bij beschikking van 8 januari 2003 verlengd voor de duur van twee maanden, ingaande 9 januari 2003.
1.5 Bij verzoekschrift van 19 februari 2003 heeft de Werkstichting Jeugdbescherming te Groningen een verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing ingediend. Bij dat verzoek zijn een hulpverleningsplan en een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling overgelegd.
1.6 Na behandeling van dit verzoek ter zitting van 5 maart 2003 heeft de kinderrechter bij (deel)beschikking van 6 maart 2003 de machtiging voorlopig verlengd voor de duur van één maand. Daarbij heeft de kinderrechter geoordeeld dat een tweede persoonlijkheidsonderzoek van [verzoeker] dient plaats te vinden, dat onderzocht dient te worden onder welke voorwaarden hij in een open setting dan wel thuis geplaatst zou kunnen worden en dat de mogelijkheden van behandeling vanuit de thuissituatie onderzocht dienen te worden. De gezinsvoogdij-instelling is verzocht uiterlijk 29 maart 2003 de resultaten van het persoonlijkheidsonderzoek over te leggen, waarna een voortzetting van de behandeling zou plaatsvinden. De definitieve beslissing over de verlenging van de machtiging in een gesloten setting is aangehouden.
1.7 Tijdens de voortzetting van de behandeling op 2 april 2003 is gebleken dat geen tweede persoonlijkheidsonderzoek heeft plaatsgevonden.
Bij beschikking van 3 april 2003 heeft de kinderrechter de machtiging verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot 9 oktober 2003. Zij heeft daarbij overwogen dat wel een tweede intelligentietest is uitgevoerd en dat de uitkomst daarvan niet veel afweek van de uitkomst van de eerste test, zodat verwacht kan worden dat de uitkomst van de tweede persoonlijkheidsttest niet veel zal afwijken van de uitkomst van de eerste. De testen geven naar het oordeel van de kinderrechter ook aanleiding tot de overtuiging dat [verzoeker] niet in staat is enig inzicht te hebben in zijn eigen situatie, terwijl spoedige behandeling van de gedragsproblemen van [verzoeker] voorop staat.
1.8 Op 1 augustus 2003 heeft Werkstichting Jeugdbescherming te Groningen een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot gesloten uithuisplaatsing ingediend.
1.9 Per 26 augustus 2003 is [verzoeker] overgeplaatst van de justitiële jeugdinrichting "'t Poortje" naar "Rentray" te Rekken.
1.10 Het onder 1.8 genoemde verlengingsverzoek van de gezinsvoogdij-instelling is ter zitting van 10 september 2003 behandeld. Bij beschikking van 17 september 2003 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging verlengd voor de duur van een jaar, ingaande 9 oktober 2003.
De kinderrechter heeft daarbij het volgende overwogen:
"De gezinsvoogdij-instelling is van mening dat plaatsing bij oma of vader niet aan de orde is. De eerste behandeling van [verzoeker] binnen Rentray moet nog beginnen. Daarna zullen er behandeldoelen worden opgesteld. Geschat wordt dat de behandeling ongeveer anderhalf jaar zal duren.
De kinderrechter is van oordeel dat op grond van de verkregen informatie van de gezinsvoogdij-instelling zoals in opgemeld verzoek aangegeven en ter terechtzitting aangevuld, en door de overige personen afgelegde verklaringen, dat in het belang van de minderjarige de termijn van de ondertoezichtstelling met een jaar dient te worden verlengd, nu de gronden voor ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn.
Voorts is de kinderrechter van oordeel dat verlenging van de termijn van machtiging tot gesloten uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige, mede in aanmerking genomen diens ernstige gedragsproblemen."
1.11 [Verzoeker] is van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Leeuwarden.
De gezinsvoogdij-instelling heeft verweer gevoerd.
De zaak is vervolgens ter zitting van 11 december 2003 behandeld.
1.12 Bij beschikking van 19 december 2003 heeft het hof [verzoeker] allereerst, ondanks zijn minderjarigheid, ontvankelijk geoordeeld in zijn hoger beroep op grond van art. 5 lid 4 EVRM Pro.
Vervolgens heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd voor wat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing betreft en heeft het, in zoverre opnieuw beslissend, de machtiging verlengd tot 1 mei 2004. Het hof heeft geoordeeld dat voldoende aannemelijk is geworden dat [verzoeker] zodanig ernstige gedragsproblemen heeft dat uithuisplaatsing in een gesloten inrichting nog steeds is vereist in het belang van zijn verzorging en opvoeding, maar dat er wel aanleiding is om de duur van de machtiging te bekorten nu [verzoeker] een positieve ontwikkeling te zien geeft.
1.13 [Verzoeker] heeft tijdig(2) cassatieberoep ingesteld van deze beschikking van het hof.
Er is geen verweerschrift ingediend.
2. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
2.1 De beschikking waartegen het cassatieberoep is gericht, bevat een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten inrichting tot 1 mei 2004. Nu die termijn reeds is verstreken heeft [verzoeker] geen belang meer bij het cassatieberoep en dient hij naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad daarin niet-ontvankelijk te worden verklaard(3).
2.2 Ten overvloede, maar met het oog op de rechtsontwikkeling, zal ik het eerste cassatiemiddel bespreken. Daarin wordt de vraag aan de orde gesteld of de beslissing van het hof als "spoedig" in de zin van art. 5 lid 4 EVRM Pro en art. 37 IVRK Pro kan worden aangemerkt(4).
3. Bespreking van het eerste cassatiemiddel
3.1 Het hof heeft onder het kopje "De "spoedige" beslissing" het volgende overwogen:
"5. Ter zitting in hoger beroep heeft [verzoeker], met een beroep op het bepaalde in artikel 5 lid 4 EVRM Pro, verzocht hem onmiddellijk althans op zeer korte termijn in vrijheid te stellen. Hij stelt daartoe dat artikel 5 lid 4 EVRM Pro hem niet alleen toegang tot de rechter geeft, teneinde hem de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming ter toetsing voor te (kunnen) leggen, maar ook dat artikel 5 lid 4 EVRM Pro meebrengt dat de rechter hierop spoedig dient te beslissen. [Verzoeker] meent dat in zijn geval, nu vanaf de dag van de indiening van het beroepschrift tot de dag van de behandeling ter zitting reeds 54 dagen zijn verstreken, van "spoedig" beslissen geen sprake meer is.
6. Artikel 5 lid 4 EVRM Pro brengt mee dat de rechter aan wie de toetsing omtrent de (on)rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming wordt voorgelegd, spoedig omtrent die (on)rechtmatigheid beslist en de invrijheidstelling beveelt indien de vrijheidsbeneming onrechtmatig is.
7. Bij het antwoord op de vraag, of er met voldoende voortvarendheid (speedily) is beslist, dient naar het oordeel van het hof (mede) te worden betrokken de aard van de betreffende vrijheidsbenemende maatregel, de duur van de betreffende maatregel alsmede de verhouding tussen de duur van de betreffende maatregel en de (totale) tijd die is verstreken tussen de duur van die maatregel en de (totale) tijd die is verstreken tussen het moment van instellen van het hoger beroep en de datum waarop over dat hoger beroep is beslist.
8. In deze zaak is een vrijheidsbenemende maatregel opgelegd in het kader van een kinderbeschermingsmaatregel.
9. De opgelegde vrijheidsbenemende maatregel bestaat hierin dat de machtiging tot plaatsing van [verzoeker] in een gesloten inrichting is verlengd voor de duur van één jaar, ingaande 9 oktober 2003.
10. [Verzoeker] heeft op 17 oktober 2003 hoger beroep tegen die beslissing ingesteld.
11. Bij brief van 20 oktober heeft het hof de gezinsvoogdij-instelling,alsmede de vader en de moeder van [verzoeker] in de gelegenheid gesteld uiterlijk op 10 november 2003 een verweerschrift in te dienen. Daarbij dient te worden opgemerkt dat aan deze belanghebbenden mede gelet op het vrijheidsbenemende karakter van de maatregel, een kortere termijn is gegund om een verweerschrift in te dienen dan gebruikelijk in familiezaken. Immers, ingevolge artikel 7 van Pro het Uniform reglement van de gerechtshoven voor rekestprocedures in familiezaken bedraagt de gebruikelijke verweertermijn zes weken.
12. Vervolgens zijn partijen en de overige belanghebbenden opgeroepen bij brieven van 11 november 2003 voor de behandeling ter zitting van 11 december 2003 en is de uitspraak bepaald op heden.
13. In het licht van al het vorenoverwogene, een en ander in onderlinge samenhang beschouwd, komt het hof tot het oordeel dat in de onderhavige zaak nog steeds sprake is van een "spoedige" beslissing als bedoeld in artikel 5 lid 4 EVRM Pro, zodat dit artikel(lid) niet is geschonden.
14. Reeds uit het vorenstaande vloeit voort dat aan voormeld oordeel niet afdoet de door [verzoeker] ter zitting nog overgelegde beslissing van het hof van 14 mei 2003 inhoudende dat een behandeling van het hoger beroep tegen een bevel tot verlenging van de gevangenhouding van een verdachte op een termijn van 27 dagen na het instellen van het hoger beroep, niet is "spoedig" (speedily) in de zin van artikel 5 lid 4 EVRM Pro.
15. Immers die zaak onderscheidt zich van de onderhavige dat het in die zaak een vrijheidsbenemende maatregel betrof in het kader van het strafrecht, te weten de voorlopige hechtenis, waarbij de duur van die maatregel 30 dagen was en de tijd verstreken tussen het instellen van het hoger beroep en de datum van de behandeling reeds 27 dagen bedroeg, zodat de beslissing omtrent een eventuele onmiddellijke invrijheidstelling nog ten hoogste drie dagen kon betreffen."
3.2 Volgens het middel(5) geeft het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 5 lid 4 EVRM Pro in zijn oordeel dat van een spoedige beslissing kan worden gesproken, omdat het hof niet alleen de periode tussen het instellen van hoger beroep (17 oktober 2003) en de uitspraak (19 december 2003) in zijn oordeel had moeten betrekken, maar ook de periode van 14 november 2002 tot 17 oktober 2003 waarin [verzoeker] al verbleef in een gesloten inrichting. Voorts heeft, aldus het middel, te gelden dat nu het een minderjarige betreft, de aard en de ingrijpendheid van de maatregel meebrengt dat ten spoedigste dient te worden beslist. Ten slotte betoogt het middel dat ook en meer specifiek ingevolge art. 37, aanhef en onder d Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) een onverwijlde beslissing is vereist.
3.3 Art. 5 lid 4 EVRM Pro bepaalt dat een ieder, wie door detentie zijn vrijheid is ontnomen, het recht heeft voorziening te vragen bij het gerecht opdat deze spoedig beslist over de rechtmatigheid van zijn detentie en zijn eventuele invrijheidsstelling(6).
Het hof heeft - in cassatie niet bestreden - geoordeeld dat in deze zaak een vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd in het kader van een kinderbeschermingsmaatregel, die hierin bestaat dat de machtiging tot plaatsing van [verzoeker] in een gesloten inrichting is verlengd voor de duur van één jaar, ingaande 9 oktober 2003.
3.4 Volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) kan niet in abstracto worden beoordeeld of een beslissing "speedily" is in de zin van art. 5 lid 4 EVRM Pro(7). In de zaak Sanchez-Reisse oordeelde het EHRM (§ 55):
"In the Court's view, this concept cannot be defined in the abstract; the matter must - as with the "reasonable time" stipulation in Article 5 para. 3 and Article 6 para. 1 (...) - be determined in the light of the circumstance of the case."
3.5 Een van de bedoelde omstandigheden van het geval is de aard van de maatregel en op welke gronden de detentie is gebaseerd. Het EHRM maakt onderscheid tussen vrijheidsontneming als straf en een bevolen detentie met een veiligheidscomponent, zoals TBS of gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis(8). In de zaak van E./ Noorwegen, waarin het ging om de detentie van een persoon met een geestelijke stoornis, overwoog het EHRM(9):
"The Court observes that the issues submitted to a court in the context of such challenges of the "lawfulness" of a deprivation of liberty as are the subject of this case (...), are often of a more complex nature than those which have to be decided when a person detained in accordance with Article 5 § 1 (c) is brought before a judge or other judicial officer as required by paragraph 3 of the Article. Indeed, the notion of "promptly" (...) in the latter provision indicates greater urgency than that of "speedily"(...) in Article 5 § 4."
Uit deze uitspraak wordt afgeleid dat de duur van de periode waarin de rechter moet beslissen over de detentie iets langer mag zijn voor personen met een psychische stoornis dan voor personen in voorarrest(10).
3.6 Naast de aard van de vrijheidsbeneming zijn de volgende omstandigheden van belang: het gedrag van de klager (is de vertraging te wijten aan het gedrag van de klager), de complexiteit van de zaak (hoe complexer hoe langer het mag duren) en het gedrag van de autoriteiten (is de vertraging te wijten aan, of komt zij voor risico van de Staat).
3.7 Wederom vaste rechtspraak van het EHRM is dat voor de berekening van de termijn "the overall length of proceedings, thus including the proceedings at all the different levels of jurisdiction" meetelt(11). Normaliter begint de termijn te lopen met de indiening van het verzoek om vrijlating of verlenging van de detentie en eindigt deze met de (laatste) rechterlijke beslissing(12).
3.8 Het hof heeft in zijn oordeel onder 10 en volgende slechts de periode vanaf het instellen van hoger beroep door [verzoeker] in zijn beoordeling betrokken. Gelet op de hiervoor aangehaalde rechtspraak van het EHRM inhoudende dat de duur van de gehele procedure die heeft geleid tot (de verlenging van) de beschikking tot vrijheidsbeneming van belang is, betoogt het middel terecht dat het hof aldus een te korte tijd in zijn overwegingen heeft betrokken.
Ik vind evenwel in de jurisprudentie van het Europese Hof geen aanwijzingen dat de gehele periode van vrijheidsbeneming moet worden meegeteld.
3.9 In de met de onderhavige zaak enigszins vergelijkbare zaak Bouamar / België(13) werd een minderjarige met ernstige gedragsproblemen negen keer voor telkens korte perioden, niet langer dan vijftien dagen, opgenomen in een gesloten instelling (een "remand prison") bij wijze van "preventive welfare measure", waarbij hij gedurende een periode van in totaal 119 dagen heeft vastgezeten (§ 8). Bouamar heeft vier keer beroep ingesteld tegen een dergelijke plaatsingsbeschikking. Op deze beroepen is beslist op een termijn van respectievelijk 102, 56, 54 en 214 dagen (§ 63). Het EHRM heeft hieromtrent als volgt geoordeeld(§ 63):
"Such lapses of time are scarcely compatible with the speed required by the terms of Article 5 § 4 (art. 5-4) of the Convention."
3.10 In het onderhavige geval is tussen het instellen van het hoger beroep door [verzoeker] op 17 oktober 2003 en de mondelinge behandeling ter zitting van het hof op 11 december 2003 reeds een termijn van 54 dagen verstreken. Gerekend tot de dag van de uitspraak op 19 december 2003 moeten daar nog 8 dagen bij worden opgeteld.
De gehele procedure van het eerste verzoekschrift tot verlenging van de machtiging tot aan de uitspraak in hoger beroep heeft echter geduurd van 1 augustus 2003 tot 19 december 2003, en dat is 141 dagen.
3.11 Wat betreft de overige in aanmerking te nemen omstandigheden van het geval, zoals complexiteit van de zaak en gedrag van de klager, merk ik op dat de machtiging tot gesloten uithuisplaatsing door de rechtbank is verlengd op basis van reeds vóór die procedure totstandgekomen rapporten over [verzoeker]. Uitstel van de behandeling van de zaak of van de uitspraak in afwachting van nader uit te brengen rapportage is derhalve niet aan de orde. De enige aan [verzoeker] te wijten vertraging is de verstreken tijd tussen de beschikking van de kinderrechter (17 september 2003) en het instellen van hoger beroep (17 oktober 2003), doch deze periode legt m.i. nauwelijks gewicht in de schaal.
Ik meen dan ook dat de beslissing van het hof niet als "spoedig" in de zin van art. 5 lid 4 EVRM Pro kan worden aangemerkt en dat het oordeel van het hof in rechtsoverweging 13 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
3.12 Het middel doet voorts naar mijn oordeel terecht een beroep op art. 37 aanhef Pro en onder d van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK), waarin het volgende is bepaald:
"De Staten die partij zijn, waarborgen dat:
(...)
d. ieder kind dat van zijn of haar vrijheid is beroofd het recht heeft onverwijld te beschikken over juridische en andere passende bijstand, alsmede het recht de wettigheid van zijn vrijheidsberoving te betwisten ten overstaan van een rechter of een andere bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige autoriteit en op een onverwijlde beslissing ten aanzien van dat beroep."
3.13 De in het - rechtstreeks werkende - art. 37 IVRK Pro neergelegde norm van een "onverwijlde beslissing" laat m.i. nog minder ruimte dan de norm van art. 5 lid 4 EVRM Pro ("speedily")(14).
3.14 Slotsom is dat het eerste cassatiemiddel terecht is voorgesteld, maar dat het niet tot cassatie kan leiden wegens niet-ontvankelijkheid van [verzoeker] in zijn beroep.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Zie de beschikkingen van de rechtbank Groningen van 9 oktober 2002, 6 maart 2003, 3 april 2003 en 17 september 2003, alsmede de bestreden beschikking.
2 Het verzoekschrift tot cassatie is op 13 januari 2004 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen.
3 Zie o.m. HR 23 maart 1990, NJ 1991, 149; HR 22 oktober 1993, NJ 1994, 66; HR 22 oktober 1993, rek.nr. 8041, n.g., LJN nr ZC 1108; HR 13 oktober 1995, rek.nr. 8638, n.g., LJN nr ZC 1843; HR 26 januari 1996, NJ 1996, 377; HR 13 april 2001, NJ 2002, 4 en 5 m.nt. JdB; HR 31 januari 2003, NJ 2003, 271; HR 19 december 2003, RvdW 2004, 5. Zie ook A-G Langemeijer in zijn conclusie vóór HR 31 januari 2003, NJ 2003, 271 (onder 2.3 en 2.4) en A-G De Vries Lentsch-Kostense in haar conclusie van 10 november 2003 vóór HR 6 februari 2004, NJ 2004, 250 m.nt. SW (onder 3-5). Zie voorts E.P. von Brucken Fock, Cassatieberoep van uithuisplaatsing illusoir?, FJR 1996, p. 89-91.
4 Bespreking van het tweede middel laat ik, mede onder verwijzing naar de conclusie van mijn ambtgenoot Langemeijer van 20 februari 2004 in de zaak R03/126 en de daarop gevolgde beslissing van Uw Raad van 23 april 2004, LJN nr AO4611 achterwege.
5 Zie het verzoekschrift tot cassatie onder 4.
6 Zie over art. 5 lid 4 EVRM Pro P. van Dijk/G.J.H. van Hoof, Theory and Practice of the European Convention on Human Rights, 3e druk, m.n. § 5.7.5; EVRM, Rechtspraak & Commentaar, J. van der Velde, § 3.5.6.1 e.v.
7 EHRM 21 oktober 1986, (Sanchez-Reisse / Zwitserland), A-107; EHRM 29 augustus 1990, (E./ Noorwegen), A-181A.
8 Van der Velde, a.w., § 3.5.6.2 en 3.5.6.6.
9 EHRM 29 augustus 1990, (E./ Noorwegen), A-181A, § 64.
10 Van der Velde, a.w., § 3.5.6.6, p. 64-65.
11 EHRM 23 november 1993, (Navarra / Frankrijk), A-273B, § 28, waarin naar eerdere rechtspraak wordt verwezen.
12 Van der Velde, a.w., § 3.5.6.6; Van Dijk/Van Hoof, a.w., § 5.7.5 met verwijzingen in noot 498.
13 EHRM 29 februari 1988, Series A-129, NJCM-Bulletin 1988, p. 231.
14 Zie ook Geraldine van Bueren, The International Law on the Rights of the child, International Studies in Human Rights, vol. 35, Kluwer 1995, p. 214-217; Ursula Kilkelly, The Child and the European Convention on Human Rights, 1999, p. 48.