ECLI:NL:PHR:2004:AR4901
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens twijfel over beschermde status indigovinken onder Vogelwet 1936
In deze zaak werd verdachte door het Gerechtshof Arnhem vrijgesproken van het bezit van beschermde vogels, namelijk indigovinken. Het Openbaar Ministerie stelde cassatie in tegen deze vrijspraak, stellende dat het hof een verkeerde uitleg had gegeven aan het begrip 'beschermde vogels'.
De Hoge Raad oordeelde dat uit de motivering van het hof niet blijkt dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten. De enkele mogelijkheid van een verkeerde uitleg leidt niet tot vernietiging van de vrijspraak. Het hof had op basis van tegenstrijdige rapporten en het beschikbare bewijs geoordeeld dat er gerede twijfel bestond of de indigovink een in Europa in het wild levende vogelsoort is, zoals vereist voor bescherming onder de Vogelwet 1936.
De Hoge Raad benadrukte dat de Vogelwet en de Vogelrichtlijn alleen bescherming bieden aan vogels die in Europa in het wild voorkomen. Dwaalgasten zoals de indigogors worden niet beschermd. Het hof hoefde geen nader onderzoek te gelasten en hoefde zijn impliciete oordeel hierover niet nader te motiveren. De cassatie werd verworpen en de vrijspraak gehandhaafd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak wegens twijfel over de beschermde status van de indigovinken.