13. Bij de stukken van het geding bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen (PL1630/02-080784), inhoudende als relaas van verbalisanten, dat ik - voor de couleur locale - uitvoerig zal citeren:
"Wij, verbalisanten, hebben op de oprit van dit het boerenerf, ons voertuig stilgezet. Dit om de groep personen die zich op het erf bevonden op te wachten. Wij, verbalisanten, zagen voorts dat er uit de groep personen die op de doorgaande weg stonden, een manspersoon ([medeverdachte]; NJ) onze richting op kwam lopen. Wij, verbalisanten, zagen dat deze manspersoon in de richting van mij, eerste verbalisant, op kwam lopen. Ik, eerste verbalisant, zat op dat moment op de bijrijdersstoel van het surveillancevoertuig. Ik, eerste verbalisant, had op dat moment het portierraam geheel geopend. Wij, verbalisanten, hoorden dat deze manspersoon [met] mij, eerste verbalisant, een gesprek begon. Wij, verbalisanten, hoorden dat deze manspersoon tegen mij, eerste verbalisant zei dat het surveillancevoertuig teveel herrie maakte en dat daardoor de mensen wakker zouden worden en vroeg ons vervolgens waar wij als politie nou mee bezig waren. Tevens hoorden wij, verbalisanten, dat de manspersoon tegen ons zei dat we niets te zoeken hadden op dit terrein.
Ik, eerste verbalisant, zag dat de manspersoon een dreigende houding aannam bij het zeggen van deze woorden. Ik, eerste verbalisant, voelde mij niet prettig in deze situatie gelet op het feit ik () geen [andere] kant op kon. Ik, eerste verbalisant, ben vervolgens uit het surveillancevoertuig gestapt. Op het moment dat ik uitstapte, zei ik, eerste verbalisant, tegen de persoon dat hij zich niet moest bemoeien met het politiewerk. Ik, tweede verbalisant, ben vervolgens ook uit ons voertuig gestapt. Op dat moment vroeg ik, eerste verbalisant, over de mobilofoon aan het personeel van de centrale meldkamer Hollands Midden, een auto erbij.
Wij, verbalisanten, zagen dat er een viertal personen uit de groep die op de doorgaande weg stonden, om mij, eerste verbalisant, heen kwamen staan. Ik, eerste verbalisant zei vervolgens tegen de manspersoon, alwaar ik mee in gesprek was, dat hij niet zo vervelend moest doen en dat hij gewoon weg moest gaan. Wij, verbalisanten, zagen dat deze manspersoon bloeddoorlopen ogen had en onvast ter been was. Wij, verbalisanten, zagen dat deze persoon niet voldeed aan het verzoek dat ik, eerste verbalisant, aan hem had gedaan. Ik, eerste verbalisant, zag dat deze persoon zich provocerend ging gedragen en met zijn wijsvinger mij, eerste verbalisant, begon aan te raken. Ik, eerste verbalisant, zag en voelde dat deze persoon twee maal met zijn rechterwijsvinger in mijn linkerbovenarm prikte. Ik, eerste verbalisant, heb hierop de manspersoon aangegeven dat ik er niet van gediend was dat hij ongevraagd aan mij zat. Vervolgens zag ik dat drie andere manspersonen de bovengenoemde manspersoon tegenhielden. Ik, eerste verbalisant, hoorde vervolgens dat een van de manspersonen tegen de bovengenoemde manspersoon zeggen dat hij zich rustig moest houden en gewoon mee moest gaan, of woorden van gelijke strekking. Hierop heb ik, eerste verbalisant, bovengenoemde manspersoon naar zijn personalia gevraagd.
Ik, tweede verbalisant, ben vervolgens om ons voertuig heengelopen en ben bij de groep personen gaan staan die bij mij, eerste verbalisant stonden. Hierop zagen wij, verbalisanten, dat de manspersoon boos werd en een gevechtshouding aannam naar ons, verbalisanten. Ik, tweede verbalisant, vroeg nogmaals naar de personalia van de persoon. Wij, verbalisanten, zagen dat de manspersoon hieraan niet voldeed. Ik, tweede verbalisant, zag dat de manspersoon mij met beide handen een harde duw naar achteren gaf. Kennelijk deed hij dit opzettelijk en met kracht want ik, tweede verbalisant, moest een aantal stappen naar achteren doen om mijn evenwicht te bewaren.
Ik, eerste verbalisant, heb vervolgens tegen de manspersoon gezegd dat hij was aangehouden. Hierop heb ik, eerste verbalisant, de manspersoon bij zijn armen gepakt. Ik, tweede verbalisant, heb vervolgens het shirt van de manspersoon beetgepakt. Wij, verbalisanten, zagen dat de persoon die mij, tweede verbalisant, had geduwd, helemaal uit zijn dak ging. Wij, verbalisanten, zagen dat de manspersoon begon te schreeuwen en zich probeerde los te rukken. Hierop zagen wij, verbalisanten, dat de andere personen om ons heen kwamen staan en zich tevens gingen bemoeien met ons, verbalisanten. Op dit moment gaf ik, eerste verbalisant, wederom aan over de mobilofoon, dat er een auto erbij moest komen."