AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad vernietigt uitleveringsuitspraak wegens onduidelijkheid over verzet tegen Belgisch verstekvonnis
De zaak betreft een uitleveringsverzoek van België aan Nederland voor strafvervolging wegens oplichting en valsheid in geschrift. De rechtbank Groningen had de uitlevering toelaatbaar verklaard, waarbij zij oordeelde dat het Belgische verstekvonnis nog vatbaar was voor verzet. De opgeëiste persoon stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.
De kern van het geschil betrof de vraag of het verstekvonnis van 17 mei 2001 aan de veroordeelde was betekend, en of de termijn voor het instellen van verzet reeds was verstreken. Correspondentie van de Belgische autoriteiten en processtukken toonden tegenstrijdige informatie over de betekening en de openstelling van verzet. De rechtbank had het onderzoek herhaaldelijk geschorst om nadere informatie te verkrijgen.
De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van de rechtbank dat het verzet nog openstond niet zonder meer begrijpelijk was en onvoldoende gemotiveerd. De Hoge Raad vernietigde daarom de bestreden uitspraak en verklaarde de uitlevering ontoelaatbaar, omdat het niet duidelijk was dat sprake was van vervolgingsuitlevering in plaats van executie-uitlevering.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de uitleveringsuitspraak en verklaart de uitlevering ontoelaatbaar wegens onduidelijkheid over het openstaan van verzet tegen het Belgische verstekvonnis.
Conclusie
Nr. 02438/04 U
mr. N. Keijzer
zitting 2 november 2004
conclusie inzake
[de opgeëiste persoon]
Edelhoogachtbaar College,
1. Bij uitspraak van 2 juni 2004 heeft de Rechtbank te Groningen de door de Belgische autoriteiten gevraagde uitlevering van [de opgeëiste persoon] (van Nederlandse nationaliteit), strekkende tot strafvervolging ter zake van oplichting en valsheid in geschrift, toelaatbaar verklaard.
2. Tegen deze uitspraak heeft [de opgeëiste persoon] cassatieberoep ingesteld.
3. Op 12 mei 2004 is de Overleveringswet(1) in werking getreden. Volgens art. 74, eerste lid, van die wet treedt deze in de relatie met de lidstaten van de Europese Unie in de plaats van de Uitleveringswet en van de in de relatie tussen Nederland en de lidstaten van de Europese Unie geldende verdragen inzake de uitlevering. Art. 74, vierde lid, Overleveringswet houdt echter in dat, in gevallen waarin de stukken betreffende een uitleveringsverzoek vóór het tijdstip van het in werking treden van de Overleveringswet zijn ontvangen door de Minister van Justitie, op de behandeling van het verzoek en op de in verband daarmee te nemen beslissingen de Uitleveringswet van toepassing blijft. Dit moet kennelijk aldus worden opgevat dat in die gevallen onder meer art. 74, eerste lid, Overleveringswet buiten toepassing blijft, zodat het uitleveringsverzoek dan op de voet van daar genoemde internationale instrumenten kan worden afgedaan.(2) Het onderhavige uitleveringsverzoek is, blijkens een daarop geplaatst stempel, door de Minister van Justitie ontvangen op 12 augustus 2003. Het kan derhalve op de voet van de Uitleveringswet en onder andere het Beneluxverdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken worden afgedaan.
4. Namens [de opgeëiste persoon] heeft mr. T.B. Trotman, advocaat te 's-Gravenhage, één middel tot cassatie voorgesteld.
5. Het middel houdt de klacht in dat de Rechtbank het gevoerde verweer, dat het uitleveringsverzoek niet strekt tot strafvervolging maar tot executie van een tegen [de opgeëiste persoon] bij verstek gewezen vonnis waartegen geen rechtsmiddel meer openstaat, heeft verworpen op gronden welke deze beslissing niet kunnen dragen.
6. Art. 5, eerste lid, van het te dezen toepasselijke Beneluxverdrag inzake uitlevering en rechtshulp (BUV) maakt deel uit van Hoofdstuk I van dat verdrag en luidt:
De Hoge Verdragsluitende Partijen leveren hun onderdanen niet uit.
Echter, de Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Lid-Staten van de Europese Unie (EU-Uitleveringsovereenkomst)(3) strekt, ingevolge art. 1 daarvanPro, tot vergemakkelijking van de toepassing van onder meer Hoofdstuk 1 van het Beneluxverdrag inzake uitlevering en rechtshulp. Art. 7, eerste lid, EU-Uitleveringsovereenkomst luidt:
Uitlevering mag niet worden geweigerd op grond van het feit dat de persoon wiens uitlevering is verzocht, onderdaan in de zin van artikel 6 vanPro het Europees Uitleveringsverdrag is van de aangezochte Lid-Staat.
Nederland heeft daarbij, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, de volgende verklaring afgelegd:(4)
"De Nederlandse regering verklaart overeenkomstig artikel 7, tweede lid, dat door Nederland geen uitlevering of doortocht zal worden toegestaan van Nederlandse onderdanen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een straf of andere maatregelen.
Echter, Nederlandse onderdanen kunnen worden uitgeleverd ten behoeve van strafvervolging voorzover de verzoekende staat een garantie afgeeft dat de opgeëiste persoon weer aan Nederland wordt overgedragen teneinde daar zijn straf te ondergaan, indien aan hem na uitlevering een vrijheidsbenemende straf, anders dan een voorwaardelijke straf, of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel is opgelegd.
(...)"
7. Uit het voorgaande volgt dat door Nederland weliswaar geen uitlevering van Nederlandse onderdanen wordt toegestaan ten behoeve van tenuitvoerlegging van een straf of een andere maatregel, doch dat uitlevering van Nederlandse onderdanen strekkende tot strafvervolging wel toelaatbaar kan zijn.(5)
8. De procesgang is door de Rechtbank als volgt samengevat:
"De rechtbank heeft op de openbare zitting van 1 oktober 2003 gehoord de opgeëiste persoon, de raadsman van de opgeëiste persoon, mr. Keuning, en de officier van justitie.
Bij beslissing van 8 oktober 2003 heeft de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting heropend, onder gelijktijdige schorsing daarvan voor maximaal 3 maanden, teneinde de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen afstand te doen van zijn recht op verzet en de raadsman de gelegenheid te bieden uit te zoeken of de Belgische autoriteiten bereid zijn mee te werken aan een tenuitvoerlegging van de opgelegde straf in Nederland, in het kader van de Wet Overdracht Tenuitvoerlegging Strafvonnissen (WOTS).
Ter zitting van 10 december 2003 is het onderzoek ter terechtzitting aangehouden voor maximaal twee maanden.
De rechtbank heeft op de openbare zitting van 11 februari 2004 het onderzoek hervat en heeft gehoord de opgeëiste persoon, de raadsman van de opgeëiste persoon, mr. Keuning, en de officier van justitie.
Bij beslissing van 25 februari 2004 heeft de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting opnieuw heropend, onder gelijktijdige schorsing daarvan voor maximaal 3 maanden, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere duidelijkheid te verschaffen omtrent de status van het vonnis van 17 mei 2001 van de 52ste kamer van de rechtbank van Brussel.
De rechtbank heeft op de openbare zitting van 19 mei 2004 het onderzoek hervat en heeft gehoord de raadsman van de opgeëiste persoon, mr. Keuning, en de officier van justitie."
9. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank van 1 oktober 2003(6) heeft de voorzitter van de Rechtbank toen mondeling de korte inhoud medegedeeld van:
- een verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon van de Federale Overheidsdienst Justitie te Brussel, d.d. 7 augustus 2003;
- een authentiek afschrift van een vonnis d.d. 17 mei 2001 van de 52ste kamer van de rechtbank te Brussel d.d. 20 juli 2001;
- een authentiek afschrift van een betekening van vonnis aan de Procureur des Konings te Brussel d.d. 20 juli 2001;(7)
- een faxbericht van de Federale Overheidsdienst Justitie d.d. 10 september 2003 waarin bevestigd wordt dat voornoemd vonnis d.d. 17 mei 2001 nog niet aan de veroordeelde is betekend, waardoor het verstekvonnis vatbaar is voor verzet.
10. Het uitleveringsverzoek houdt onder meer in:
"Het verstekvonnis werd op 20.07.2001 aan de heer Procureur des Konings te Brussel betekend en is derhalve nog vatbaar voor verstek."(8)
11. Genoemd faxbericht van 10 september 2003, dat zich bij de stukken bevindt, is gericht aan het Bureau Internationale Rechtshulp van het Ministerie van Justitie te Den Haag en luidt:
"Ingevolge uw faxbericht van heden, kan ik u bevestigen dat het verstekvonnis van 17.05.2001 van de correctionele rechtbank op 20.07.2001 gelet op de evidente afwezigheid van [de opgeëiste persoon] aan het parket werd betekend.
Zolang een bij verstek gewezen vonnis of arrest niet aan de veroordeelde perso(o)nen is betekend, blijft het aantekenen van verzet mogelijk. Pas wanneer het vonnis of arrest aan de veroordeelde werd betekend, begint de termijn voor verzet te lopen.
In dit geval is het verstekvonnis dus inderdaad vatbaar (...)voor verzet."
12. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank van 11 februari 2004 heeft de raadsman aldaar onder meer aangevoerd:
"Het is de vraag of er hier sprake is van vervolgingsuitlevering of van excecutie-uitlevering. Mijns inziens gaat het hier om executie-uitlevering, aangezien mijn cliënt in de zomer van 2003 op de hoogte is gesteld van het vonnis van 17 mei 2001 en de termijn waarbinnen verzet kon worden aangetekend tegen dat vonnis allang voorbij is. België kent een soortgelijke regeling omtrent verstekvonnissen als Nederland."
13. Bij tussenuitspraak van 25 februari 2004 heeft de Rechtbank het onderzoek heropend, na te hebben overwogen:
"De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek in deze zaak onvolledig is geweest, nu er naar het oordeel van de rechtbank onduidelijkheid bestaat omtrent de op het vonnis d.d. 17 mei 2001 van de 52ste kamer van de rechtbank te Brussel van toepassing zijnde (Belgische) wettelijke regeling omtrent verstek en rechtsmiddel(en) en omtrent de vraag of het hier gaat om een executie-uitlevering, dan wel vervolgingsuitlevering. De rechtbank wil hierover nader en uitputtend worden geïnformeerd door de officier van justitie, mede gezien het door de raadsman gevoerde verweer en gelet op het bepaalde in artikel 4 vanPro de Uitleveringswet."
14. Bij de stukken bevindt zich een faxbericht van 16 april 2004 van de Federale Overheidsdienst Justitie te Brussel aan het Bureau Internationale Rechtshulp van het Ministerie van Justitie te Den Haag, hetwelk inhoudt:
"Met verwijzing naar Uw brief dd. 316.04.2004 betreffende mijn verzoek tot uitlevering van [de opgeëiste persoon] deel ik U mede dat niet de datum van de kennisneming van een vonnis de termijn doet lopen waarbinnen verzet kan worden ingesteld, maar de dag waarop de betrokkene kennis kreeg van de betekening van dit vonnis indien dit niet aan hem werd betekend zoals in casu.
Ik zend U hierbij kopie van de artikelen 187 en 188 van het Wetboek van Strafvordering inzake verstekvonnissen.
Bij brief dd. 10.9.2003 werd U reeds medegedeeld dat verzet tegen het vonnis dd. 17.05.2001 van de correctionele rechtbank te Brussel nog openstaat."
15. Art. 187 vanPro het Belgische Wetboek van Strafvordering, waarvan de tekst is gevoegd bij bovenbedoeld faxbericht, houdt voorzover te dezen van belang in:
"Hij die bij verstek is veroordeeld, kan tegen het vonnis in verzet kommen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop het is betekend.
Is de betekening van het vonnis niet aan de beklaagde in persoon gedaan, dan kan deze, wat de veroordelingen tot straf betreft, in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening kennis heeft gekregen en, indien niet blijkt dat hij daarvan kennis heeft gekregen, totdat de termijnen van verjaring van de straf verstreken zijn."
16. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank van 19 mei 2004 heeft de raadsman aldaar onder meer aangevoerd:
"Verzet tegen het vonnis van de Belgische rechter is niet mogelijk. Het vonnis is betekend op 20 juli 2001. Het vonnis is niet in persoon aan [de opgeëiste persoon] betekend, maar [de opgeëiste persoon] is wel op de hoogte geraakt van het gegeven dat er een vonnis was gewezen. Verzet staat niet meer open voor hem."
17. In de bestreden uitspraak heeft de Rechtbank dit verweer als volgt samengevat en verworpen:
"De raadsman heeft aangevoerd dat de uitlevering niet toelaatbaar is omdat hier sprake is van een executie-uitlevering, nu de termijn waarbinnen verzet kon worden aangetekend tegen het vonnis van 17 mei 2001 allang voorbij is.
(...)
De rechtbank is van oordeel dat er op grond van de hierover gevoerde correspondentie met de Belgische autoriteiten, te weten de faxberichten van de Federale Overheidsdienst Justitie van 10 september 2003 en 16 april 2004, van uit dient te worden gegaan dat in casu sprake is van vervolgingsuitlevering.
De rechtbank acht derhalve de uitlevering toelaatbaar (...)"
18. In de toelichting op het middel wordt het standpunt ingenomen dat, in aanmerking genomen dat [de opgeëiste persoon] onder meer ter zitting van de Rechtbank van 1 oktober 2003 in kennis is gesteld van de betekening op 20 juli 2001 van het vonnis van 17 mei 2001, de Rechtbank in het licht van de brief van de Belgische Federale Overheidsdienst Justitie van 16 april 2004 niet zonder meer tot de conclusie kon komen dat verzet nog openstaat.
19. Ik deel dat standpunt. De brief van de Belgische Federale Overheidsdienst Justitie van 16 april 2004 houdt niet in dat verzet nog steeds openstaat - op dit punt verschilt de onderhavige casus van die waarop HR 15 juni 2004, LJN: AO9918 betrekking heeft - en het daarbij gevoegde art. 187 vanPro het Belgische Wetboek van Strafvordering wijst, in samenhang met de mededeling op 1 oktober 2003 door de voorzitter van de Rechtbank van de betekening van het verstekvonnis aan de Procureur des Konings te Brussel op 20 juli 2001, juist op het tegendeel.
Dat, zoals in de brief van 16 april 2004 wordt gereleveerd, bij brief van 10 september 2003 is medegedeeld dat het verstekvonnis vatbaar was voor verzet, sluit niet uit dat de termijn voor het instellen van verzet inmiddels kan zijn verlopen.
Weliswaar heeft de Nederlandse regering in ander verband ooit gesteld dat met betrekking tot verstekvonnissen geldt dat in België en Luxemburg de mogelijkheid van verzet altijd bestaat, zodat de verdachte in ieder geval verzekerd kan zijn van een contradictoire behandeling van zijn strafzaak,(9) maar ook die visie sluit niet uit dat (zoals uiteengezet door Van den Wyngaert(10)) de mogelijkheid van verzet door termijnverloop komt te vervallen.
20. Het oordeel van de Rechtbank dat verzet thans nog openstaat is derhalve onbegrijpelijk, en de verwerping van het gevoerde verweer is daarom ontoereikend gemotiveerd.
21. Het middel is mitsdien terecht voorgesteld.
22. Het middel gegrond achtende concludeer ik dat Uw Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en, doende wat de Rechtbank had behoren te doen, de verzochte uitlevering ontoelaatbaar zal verklaren.
Voor de Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Waarnemend Advocaat-Generaal
1 Wet van 29 april 2004, Stb. 195.
2 Vgl. HR 1 juni 2004, LJN-nummer AO9133.
3 Dublin, 27 september 1996, Trb. 1996, 304. De Overeenkomst is weliswaar nog niet in werking getreden, maar zij wordt op grond van dienaangaande op de voet van art. 18, vierde lid, afgelegde kennisgevingen tussen België en Nederland niettemin toegepast. Vgl. HR 27 augustus 2002, LJN: AE5202.
4 Art. III, Goedkeuringswet (Wet van 11 mei 2000, Stb. 205).
5 HR 17 september 2002, LJN: AE7297.
6 Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken is dit proces-verbaal als stuk 27 gehecht achter de (tussen)uitspraak van de Rechtbank van 8 oktober 2003 (stuk 26).
7 Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken is dit document gehecht aan het verstekvonnis.
8 Kennelijk is bedoeld: vatbaar voor verzet, NK
9 Kamerstukken II, 1965-1966, 8054, nr. 10, blz. 7.
10 Van den Wyngaert, Strafrecht, Strafprocesrecht & Internationaal Strafrecht in Hoofdlijnen, Antwerpen/Apeldoorn 2003, II, blz. 1030-1031.