ECLI:NL:PHR:2004:AR6162
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep inzake voorlopige onderhoudsbijdrage
Partijen waren gehuwd en de vrouw verzocht de rechtbank om een voorlopige voorziening tot betaling van een bijdrage in haar levensonderhoud door de man. De rechtbank wees een eerder verzoek af, maar bij een tweede verzoek stelde zij een maandelijkse bijdrage vast van €1.169 met ingang van 1 mei 2002.
De man stelde cassatie in tegen deze beschikking, stellende dat de rechtbank onjuiste rechtsopvattingen had gehanteerd en onvoldoende had gemotiveerd. De vrouw verzocht de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren.
De Hoge Raad overwoog dat op grond van artikel 824 lid 1 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering geen hoger beroep of cassatie openstaat tegen beschikkingen als deze, behoudens cassatie in het belang der wet. De man stelde geen gronden aan die een doorbreking van dit rechtsmiddelenverbod rechtvaardigen en had bovendien het buitengewone rechtsmiddel cassatie in belang der wet niet correct ingesteld.
Daarom werd het cassatieberoep van de man niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest bevestigt de restrictieve toepassing van rechtsmiddelen tegen voorlopige voorzieningen en verduidelijkt de procedurele vereisten voor cassatie in belang der wet.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een toegelaten rechtsmiddel tegen de beschikking.