ECLI:NL:PHR:2004:AR6162

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R03/137HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 822 RvArt. 824 lid 1 RvArt. 824 lid 2 RvArt. 78 lid 1 Wet ROArt. 111 lid 2 sub c Wet RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep inzake voorlopige onderhoudsbijdrage

Partijen waren gehuwd en de vrouw verzocht de rechtbank om een voorlopige voorziening tot betaling van een bijdrage in haar levensonderhoud door de man. De rechtbank wees een eerder verzoek af, maar bij een tweede verzoek stelde zij een maandelijkse bijdrage vast van €1.169 met ingang van 1 mei 2002.

De man stelde cassatie in tegen deze beschikking, stellende dat de rechtbank onjuiste rechtsopvattingen had gehanteerd en onvoldoende had gemotiveerd. De vrouw verzocht de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren.

De Hoge Raad overwoog dat op grond van artikel 824 lid 1 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering geen hoger beroep of cassatie openstaat tegen beschikkingen als deze, behoudens cassatie in het belang der wet. De man stelde geen gronden aan die een doorbreking van dit rechtsmiddelenverbod rechtvaardigen en had bovendien het buitengewone rechtsmiddel cassatie in belang der wet niet correct ingesteld.

Daarom werd het cassatieberoep van de man niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest bevestigt de restrictieve toepassing van rechtsmiddelen tegen voorlopige voorzieningen en verduidelijkt de procedurele vereisten voor cassatie in belang der wet.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een toegelaten rechtsmiddel tegen de beschikking.

Conclusie

Rekestnr. R03/137HR
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Parket, 1 oktober 2004
Conclusie inzake:
[de man]
tegen
[de vrouw]
Het gaat in deze zaak naar mijn beoordeling uitsluitend om de ontvankelijkheid van eiser tot cassatie, de man, in zijn cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank waarbij als voorlopige voorziening is bepaald dat de man aan verweerster in cassatie, de vrouw, een bijdrage in haar levensonderhoud dient te betalen.
1. Feiten en procesverloop
1.1 Partijen zijn, althans waren ten tijde van de behandeling van de zaak door de rechtbank Rotterdam, gehuwd.
1.2 De rechtbank heeft een eerder verzoek van de vrouw tot het treffen van voorlopige voorzieningen met betrekking tot een door de man aan haar te betalen bijdrage in haar levensonderhoud bij beschikking van 5 november 2002 afgewezen.
1.3 De vrouw heeft vervolgens opnieuw bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank Rotterdam op 2 april 2003, een verzoek ingediend tot het treffen van voorlopige voorzieningen. Zij heeft daarbij verzocht met ingang van 1 mei 2002 een bijdrage in haar levensonderhoud vast te stellen ten bedrage van € 1.815,-- per maand ten laste van de man.
1.4 Bij beschikking van 22 augustus 2003 heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 1 mei 2002 een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw zal verstrekken van € 1.169,-- per maand.
1.5 De man heeft bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de Hoge Raad op 19 november 2003, cassatie ingesteld tegen de onder 1.4 vermelde beschikking van de rechtbank.
De vrouw heeft verweer gevoerd en daarbij verzocht het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren althans het beroep te verwerpen.
De man is vervolgens in de gelegenheid gesteld verweer te voeren tegen het niet-ontvankelijkheidsberoep van de vrouw. Bij brief van 11 maart 2004, ingekomen ter griffie op 12 maart 2004, heeft hij te kennen gegeven van die mogelijkheid geen gebruik te zullen maken.
2. Ontvankelijkheid
2.1 De man heeft in zijn verzoekschrift onder 3 de formulering van zijn middel als volgt ingeleid:
"Ingevolge artikel 824 lid 1 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering komt de man hierbij tijdig in cassatie, zulks in het belang der wet op grond van het navolgende:
Middel van cassatie:
(...).
Vervolgens wordt onder 4 als klacht geformuleerd dat "het oordeel van de rechtbank onjuist is, nu het blijk geeft van onjuiste rechtsopvatting inzake de strekking van artikel 824 lid 2 Rv Pro, althans de beschikking van de rechtbank is niet voorzien van een voldoende (begrijpelijke) motivering, althans kan in rechte geen stand houden nu de beslissing in strijd is met de rechtszekerheid."
2.2 M.i. bedoelt de man met zijn verzoek het gewone rechtsmiddel van cassatie in te stellen. Dit blijkt blijkt niet alleen uit de door de man op verschillende plaatsen in het verzoekschrift gebruikte bewoordingen, zoals in de aanhef en in het petitum van het verzoekschrift, alsmede in de aanbiedingsbrief(1), maar ook uit het feit dat een cassatiemiddel is geformuleerd.
2.3 Het cassatieberoep is ingesteld tegen een beschikking als bedoeld in art. 822 Rv Pro. Tegen een dergelijke beschikking staan krachtens art. 824 lid 1 Rv Pro. geen hogere voorzieningen open, behoudens cassatie in het belang der wet.
Volgens het cassatiemiddel meent de man dat de beschikking van de rechtbank is gegeven op grond van art. 824 lid 2 Rv Pro. (wijziging beschikking voorlopige voorzieningen). Wat daar van zij, op grond van art. 824 lid 1 Rv Pro. staat ook tegen een dergelijke wijzigingsbeschikking geen hogere voorziening open, behoudens cassatie in het belang der wet.
2.4 Indien in de wet is bepaald dat geen hogere voorzieningen openstaan, is zowel hoger beroep als cassatie uitgesloten.
De man is mitsdien niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep.
2.5 Voorzover de man met zijn cassatieberoep het oog heeft op doorbreking van dit rechtsmiddelenverbod, is hij evenmin ontvankelijk.
Daartoe dient er immers bij de appelrechter over geklaagd te worden dat de rechter met zijn beslissing het artikel ten onrechte dan wel met verzuim van essentiële vormen heeft toegepast of ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten(2). Deze gronden worden door de man echter niet gesteld, nu hij slechts klaagt over een onjuiste rechtstoepassing en een onvoldoende begrijpelijke motivering.
Art. 340 Rv Pro. vindt daarom geen toepassing.
2.6 Onder 3. van het verzoekschrift stelt de man in cassatie te komen "zulks in het belang der wet".
Voorzover hij daarmee beoogt het buitengewone rechtsmiddel cassatie in belang der wet in te stellen, moet hij eveneens niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit buitengewone rechtsmiddel kan uitsluitend worden ingesteld door de procureur-generaal bij de Hoge Raad (art. 78 lid 1 in Pro verbinding met 111 lid 2 sub c Wet RO).
2.7 Mocht de man niet zozeer hebben bedoeld zelf cassatie in te stellen, maar met zijn verzoekschrift een verzoek tot het instellen van cassatie in belang der wet te hebben willen doen, dan had hij dit verzoek niet moeten richten tot de Hoge Raad(3). Een dergelijk verzoek behoort te worden gedaan aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad(4) die van de aan hem toegekende discretionaire bevoegdheid om een dergelijke vordering in te stellen slechts incidenteel gebruik maakt.
2.8 Ten slotte merk ik nog op dat het rechtsmiddel cassatie in het belang der wet niet tot doel heeft het belang van één der partijen te dienen. Toewijzing van een vordering tot cassatie in het belang der wet zou derhalve geen wijziging brengen in de rechtspositie zoals deze is vastgesteld in de beschikking van de rechtbank (art. 78 lid 6 Wet Pro RO).
3. Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de man in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 De kop van het verzoekschrift (p. 1) luidt "verzoekschrift tot cassatie"; in de aanhef (p. 1) deelt verzoeker mede "beroep in cassatie" in te stellen; op p. 6 herhaalt verzoeker dat het een "verzoek in cassatie" betreft; ook in de aanbiedingsbrief wordt gesproken over een "verzoekschrift in cassatie".
2 HR 29 maart 1985, NJ 1986, 242 m.nt. WHH en LWH (Enka/Dupont), bevestigd in HR 30 juni 2000, NJ 2000, 674. In het arrest HR 17 juni 1994, NJ 1995, 367 m.nt. HJS, rov. 3.4, wordt nog een vierde doorbrekingsgrond genoemd, te weten het door de rechter buiten het toepassingsgebied van het desbetreffende artikel treden, zie hierover Snijders/Wendels, derde druk (2003), p. 299 en Ras/Hammerstein, tweede druk (2001), p. 67.
3 De aanbiedingsbrief is gericht aan "de Hoge Raad der Nederlanden T.a.v. civiele administratie".
4 Het parket bij de Hoge Raad maakt geen deel uit van de Hoge Raad, zie art. 111 lid 1 in Pro verbinding met art. 72 lid Pro 1Wet RO.