ECLI:NL:PHR:2004:AR7225
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over uitlevering en ne bis in idem bij vrijspraak verzoekende staat
In deze zaak gaat het om een verzoek tot uitlevering van een persoon door Moldavië aan Nederland wegens een strafbaar feit gepleegd in Moldavië. De opgeëiste persoon voert verweer op grond van het ne bis in idem-beginsel, omdat hij in Moldavië reeds onherroepelijk is vrijgesproken voor het feit waarvoor uitlevering wordt gevraagd.
De rechtbank wees het verweer af omdat het Europees uitleveringsverdrag (EUV) en het aanvullend protocol alleen weigering van uitlevering voorzien bij een onherroepelijke beslissing van de aangezochte staat of een derde staat, maar niet bij een onherroepelijke vrijspraak door de verzoekende staat zelf. De Hoge Raad stelt echter dat het vierde lid van het aangevulde artikel 9 EUV Pro en de Nederlandse Uitleveringswet een ruimere toepassing van ne bis in idem mogelijk maken, ook bij vrijspraak door de verzoekende staat.
De Hoge Raad vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank en verwijst de zaak terug om opnieuw te beoordelen of de uitlevering op grond van ne bis in idem moet worden geweigerd. Dit arrest verduidelijkt de toepassing van ne bis in idem in het kader van uitleveringsverzoeken tussen staten die partij zijn bij het EUV en het aanvullend protocol.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling van de uitlevering met toepassing van het ne bis in idem-beginsel.