ECLI:NL:PHR:2005:AO3070
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing overgangsregeling bij aandelenoptierechten toegekend voor 26 juni 1998
In deze zaak staat centraal of aandelenoptierechten die in 1998 onvoorwaardelijk aan werknemers zijn toegekend, fiscaal moeten worden gewaardeerd volgens het oude regime (7,5%) of het nieuwe regime (20%). De Hoge Raad bevestigt dat de overgangsregeling van toepassing is op optierechten die vóór 26 juni 1998 zijn overeengekomen.
De feiten betreffen arbeidsovereenkomsten uit december 1996 waarin voorwaardelijke optierechten werden toegekend, en latere optieovereenkomsten uit december 1998 die deze rechten nader invulden. Het hof stelde vast dat de rechten in 1996 waren overeengekomen en dat de latere overeenkomsten slechts nadere uitwerking waren.
De Hoge Raad analyseert het begrip 'overeengekomen' in de overgangsregeling en concludeert dat het civielrechtelijk moet worden opgevat als een zelfdragende, voldoende bepaalbare overeenkomst die partijen bindt. Voorovereenkomsten of vrijblijvende aanbiedingen vallen hier niet onder.
De arbeidsovereenkomsten uit 1996 voldeden aan deze criteria en vormen daarmee het moment van overeenkomen. De latere optieovereenkomsten wijzigen dit niet, omdat zij slechts nadere invulling geven aan reeds bestaande rechten. Hiermee wordt het rechtszekerheidsbeginsel gerespecteerd en wordt misbruik van de overgangsregeling voorkomen.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond en bevestigt het oordeel van het hof dat het oude waarderingsregime van toepassing is op de optierechten die in 1996 zijn overeengekomen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard; de aandelenoptierechten zijn vóór 26 juni 1998 overeengekomen en vallen onder het oude waarderingsregime.