ECLI:NL:PHR:2005:AO3151
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over infiltratieaftrek grondwaterbelasting en oeverinfiltratie
Belanghebbende, een drinkwaterbedrijf, maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag grondwaterbelasting over 1996 vanwege de weigering van infiltratieaftrek voor oeverinfiltratie en wateraanvoerplannen. Het Hof Den Haag bevestigde de aanslag en oordeelde dat oeverinfiltratie een natuurlijk proces is en niet kan worden aangemerkt als infiltratie in de zin van de Wet belastingen op milieugrondslag.
De Hoge Raad concludeert dat het Hof een onjuiste rechtsopvatting hanteerde door oeverinfiltratie categorisch uit te sluiten als infiltratie. De wetgever heeft immers een ruime uitleg van het begrip infiltreren van water voor de grondwaterbelasting beoogd, die ook retourbemaling en terugvoeren van spoelwater omvat. De Hoge Raad wijst op het belang van het aantonen van een oorzakelijk verband tussen grondwateronttrekking en infiltratie om aftrek toe te kennen.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak naar een ander hof voor verdere behandeling. De conclusie bevat een uitgebreide analyse van relevante wetgeving, richtlijnen, parlementaire geschiedenis en jurisprudentie, waarbij het onderscheid tussen de Grondwaterwet en de grondwaterbelasting wordt toegelicht. Ook de rol van vergunningen en de voorwaarden voor infiltratieaftrek worden besproken.
Deze uitspraak benadrukt de noodzaak van een ruime interpretatie van infiltratie in de grondwaterbelasting en het belang van een zorgvuldige toetsing van het verband tussen infiltratie en onttrekking, met oog voor milieu- en fiscale belangen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug vanwege onjuiste uitleg van het begrip infiltratie in de grondwaterbelasting.