ECLI:NL:PHR:2005:AO7687
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van ISPP-regeling als aanspraak in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964
Belanghebbende, een dochteronderneming van een Amerikaanse beursgenoteerde vennootschap, voerde een International Stock Purchase Plan (ISPP) in voor haar directeur, waarbij aandelen werden toegekend onder de voorwaarde dat de werknemer vijf jaar in dienst bleef. De Inspecteur legde naheffingsaanslagen op omdat hij dit als belastbaar loon aanmerkte. Het Gerechtshof Leeuwarden oordeelde dat het hier ging om een voordeel onder opschortende voorwaarde en niet om een aanspraak in de zin van artikel 10, lid 2, Wet LB.
De staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak. De kernvraag was of de ISPP-regeling kwalificeert als een aanspraak, waarbij aanspraken worden gezien als rechten op toekomstige uitkeringen die zich lenen voor fondsvorming of stortingen bij derden. De Hoge Raad bevestigde dat de regeling niet voldoet aan het criterium van een naast het normale loon staande voorziening, maar een uitgestelde beloning betreft die rechtstreeks verband houdt met arbeidsprestaties.
De Hoge Raad benadrukte dat het motief van de werkgever om de werknemer te binden niet doorslaggevend is voor de kwalificatie als aanspraak. De regeling is eerder te vergelijken met blijf- en bindingspremies, die niet als aanspraak worden aangemerkt. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard, waarmee het oordeel van het Hof werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard; de ISPP-regeling kwalificeert niet als aanspraak in de zin van artikel 10, lid 2, Wet op de loonbelasting 1964.