1 Hoge Raad 31 oktober 1997, nummer 16404 (portocabin) en Hof Arnhem, nummer 97/22544 (stacaravan).
2 Hof 's-Hertogenbosch 10 maart 1998, nummer 96/00947 (recreatieoord) en Hof Arnhem 28 september 1998, nummer 97/2 1967 (weekendhuisje).
3 Dan wel op grond van de - in casu niet ter zake doende - mijnwetgeving.
4 Zie Kamerstukken II, 1992-93, 22 885, nr. 3 (MvT).
5 Zie bijv. Hof 's-Gravenhage 25 juni 1997, nr. 96/0069, E XI, Belastingblad 1998, blz. 364; V-N 1997, blz. 4224 (prefab recreatiebungalows); Hof Arnhem 26 mei 1998, nr. 97/22 544, E VI, Belastingblad 1999, blz. 48 (stacaravan); Hof 's-Gravenhage 19 oktober 2001, nr. 00/00994, E VII, Belastingblad 2002, blz. 278 (stacaravan); Hof 's-Hertogenbosch 2 februari 2000, nr. 98/03 050, E I, Belastingblad 2000, blz. 772 (stacaravan); HR 20 september 2000, nr. 34 371, Belastingblad 2001, blz. 61 (vakantiebungalows) en HR 31 oktober 1997, nr. 16 404, NJ 1998, 97, Belastingblad 1998, blz. 252 (Portacabin). Zie ook de Brief van de Staatssecretaris van Financiën e.a. van 18 november 2003, V-N 2003/60.23.
6 HR 13 juni 1975, NJ 1975, 509 m.nt. GJS.
7 Zie de in de Nota van wijzigingen gegeven toelichting op art. 3.1.1.2 (thans 3:3) BW (Parlementaire Geschiedenis Boek 3, blz. 70) onder verdere verwijzing naar de Memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer op art. 6.3.2.7 (thans 6:174) BW (Parlementaire Geschiedenis Boek 6, blz. 760).
8 Zie de Memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer op art. 3.1.1.2 (thans 3:3) BW (Parlementaire Geschiedenis Boek 3, blz. 69).
9 Zie onder meer HR 23 februari 1994, NJ 1995, 464 en 465 m.nt. WMK (windturbines zijn onroerende zaken).
10 HR 31 oktober 1997, NJ 1998, 97, Bouwrecht 1998, p. 689, V-N 1997/4334 m.a., Bb 1998/252 m.a. Kruimel. Zie van de civiele kamer ook HR 25 oktober 2002, NJ 2003/241 m.nt. WMK.
11 Zie o.m. HR 7 juni 2002, BNB 2002/283 en HR 6 juni 2003, BNB 2003/271 m.nt. J.W. Zwemmer.
12 Waarderingskamer, notitie van 29 februari 2000 (ingetrokken per 6 maart 2003).
13 Waarderingskamer, notitie van 6 maart 2003.
14 Zie D.J. Veegens/E. Korthals Altes & H.A. Groen, Cassatie in burgerlijke zaken, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1989, blz. 203-204.
15 Zie het beroepschrift in cassatie, blz. 2.
16 In rechtsoverweging 5.7. spreekt het Hof over 312 stacaravanchalets waarvoor wel een WOZ-waarde is vastgesteld en 343 stacaravanchalets waarvoor de waardevaststelling achterwege is gebleven. Dit moet zijn respectievelijk 318 en 343 stacaravanchalets, hetgeen volgt uit de feiten zoals deze zijn vastgesteld in rechtsoverweging 3.3. Dat brengt het totaal op 661 stacaravanchalets, dat is tevens het bedrag dat in rechtsoverweging 5.7 wordt genoemd.
17 Het valt op dat hier en in de rest van het middelonderdeel niet wordt gesproken van stacaravanchalets.
18 Vgl. HR 18 december 1985, FED 1986/755.
19 Het College doet dit in zijn cassatieberoep.
20 De objectafbakening van de stacaravanchalets op gehuurde grond is ook nog op een ander punt onjuist. Niet alleen is op onjuiste wijze het (on)roerende karakter vastgesteld van de stacaravanchalets. Ook in het geval dat de stacaravanchalets als roerend moeten worden aangemerkt, zouden in mijn optiek de percelen die verhuurd worden niet kunnen worden samengevoegd tot één object zoals nu is gebeurd. De kleinste gebruikerseenheid is immers (doorgaans) het perceel dat wordt gehuurd om het stacaravanchalet op te plaatsen. Uit de feitenvaststelling door het Hof volgt dat in de gevallen van verhuurde percelen - gezien het meer duurzame karakter daarvan - geen sprake was van het 'ter beschikking stellen voor volgtijdig gebruik'. Vgl. HR 28 september 2001, BNB 2001/403 m.nt. Snoijink.
21 Zie voor een te enge objectafbakening HR 9 mei 2003, BNB 2003/270 m.nt. Snoijink.