ECLI:NL:PHR:2005:AR3663

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01183/04
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 lid 1 SvArt. 461 lid 1 SvArt. 461 lid 2 SvArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening wegens tegenstrijdige bewezenverklaringen bij poging doodslag in Vriezenveen

De aanvrager werd door het Gerechtshof Arnhem veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf wegens poging tot doodslag op 22 januari 1993 in de gemeente Vriezenveen. Later werd in een ander arrest door hetzelfde hof een andere betrokkene veroordeeld voor hetzelfde feit, waarbij in de strafmotivering werd vermeld dat mede door diens toedoen een ander voor de steekpartij was veroordeeld.

De Hoge Raad constateert dat de bewezenverklaringen in de twee arresten niet met elkaar in overeenstemming zijn te brengen, aangezien in het ene arrest het steken werd toegeschreven aan de aanvrager en in het andere aan de tweede betrokkene. Dit is in strijd met artikel 457 lid 1 aanhef Pro en onder 1º Sv.

Daarom vernietigt de Hoge Raad beide arresten voor zover deze betrekking hebben op het onder parketnummer 08/008944-96 bewezen verklaarde en verwijst de zaken naar het Hof te 's-Hertogenbosch voor een gelijktijdig en nieuw onderzoek. De aanvrager wordt geacht van rechtswege vrij te zijn, mits hij nog een vrijheidsstraf ondergaat op grond van het vernietigde arrest.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag gegrond en verwijst de zaak terug naar het Hof te 's-Hertogenbosch voor hernieuwd onderzoek en uitspraak.

Conclusie

Nr. 01183/04
Mr. Vellinga
Zitting: 5 oktober 2004
Conclusie inzake:
[aanvrager]
1. Aanvrager van herziening is door het Gerechtshof te Arnhem bij in kracht van gewijsde gegaan arrest van 12 juli 1994 wegens poging tot doodslag veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf.
2. Namens de aanvrager heeft mr. K. ter Mors, advocaat te Almelo, een aanvraag tot herziening van dit arrest ingediend.
3. Als grondslag voor herziening kan, voorzover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 1º van art. 457 Sv Pro slechts dienen de door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheid dat bij onderscheidene arresten of vonnissen, in kracht van gewijsde gegaan of bij verstek gewezen, bewezenverklaringen zijn uitgesproken die niet met elkaar zijn overeen te brengen.
4. Op deze herzieningsgrond heeft de aanvrage kennelijk het oog. Daarin wordt aangevoerd dat de aanvrager weliswaar bij het hiervoor genoemde arrest van het Gerechtshof te Arnhem is veroordeeld terzake van de op 22 januari 1993 gepleegde poging tot doodslag op [het slachtoffer], maar dat hetzelfde Hof voor dat zelfde feit vier jaar later alsnog ene [betrokkene 1] heeft veroordeeld en bovendien in de strafmotivering heeft vermeld dat hem, [betrokkene 1], wordt aangerekend dat mede door zijn toedoen "een ander" voor de steekpartij is veroordeeld en vrijheidsstraf heeft ondergaan. De aanvrage vermeldt tenslotte dat beide arresten in kracht van gewijsde zijn gegaan. De genoemde uitspraken zijn aan de aanvrage gehecht.(1)
5. Beide hiervoor genoemde uitspraken zijn in kracht van gewijsde gegaan. De Hoge Raad heeft het tegen de uitspraak van 12 juli 1994 ingestelde cassatieberoep op 18 april 1995 verworpen.(2) Op 1 februari 2000 heeft de Hoge Raad het ten laste van [betrokkene 1] gewezen arrest vernietigd doch alleen voor wat betreft de vermelding van de wettelijke voorschriften waarop de strafoplegging is gegrond, daarbij alsnog art. 45 Sr Pro vermeld en het beroep voor het overige verworpen(3).
6. Het arrest waarvan herziening wordt gevraagd(4), houdt in dat ten laste van de aanvrager is bewezenverklaard dat:
"hij op 22 januari 1993 in de gemeente Vriezenveen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [het slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een mes in de buik heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid, alleen tengevolge van de van zijn wil onafhankelijke omstandigheid dat die [slachtoffer] niet is gedood."
7. Het arrest(5) dat - zoals in de aanvrage wordt betoogd - een bewezenverklaring behelst die hiermee onverenigbaar is, houdt ten aanzien van de gevoegde zaak onder parketnummer 08/008944-96 in dat ten laste van [betrokkene 1] bewezenverklaard is dat:
"hij op 22 januari 1993 te Westerhaar-Vriezenveensewijk, gemeente Vriezenveen ter uitvoering het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [het slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, met een mes, in de buik heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid, alleen tengevolge van de van zijn wil onafhankelijke omstandigheid dat die [slachtoffer] niet is overleden, "
8. Mede gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen hebben beide bewezenverklaring betrekking op hetzelfde steken van [het slachtoffer]. Zij zijn dus niet met elkaar in overeenstemming te brengen, omdat in de eerste bewezenverklaring het steken aan aanvrager wordt toegeschreven, in de tweede aan [betrokkene 1].
9. De aanvrage is derhalve gegrond.
10. Gezien art. 457 lid 1 aanhef Pro en onder 1º in verbinding met art. 461 lid 1 en Pro 2 Sv, strekt deze conclusie:
* tot vernietiging van het ten laste van de aanvrager gewezen arrest van het Hof Arnhem van 12 juli 1994 en van het in de aanvrage aangevoerde ten laste van [betrokkene 1] door hetzelfde Hof op 29 mei 1998 gewezen arrest, met dien verstande dat de laatstgenoemde uitspraak alleen wordt vernietigd voor zover betrekking hebbende op het onder parketnummer 08/008944-96 bewezenverklaarde;
* dat de zaken in zoverre worden verwezen naar het Hof te 's-Hertogenbosch, teneinde die gelijktijdig opnieuw te onderzoeken en daarin bij een en dezelfde uitspraak recht te doen met inachtneming van het bepaalde in de eerste volzin van art. 461 lid 1 Sv Pro;
* en dat de Hoge Raad zal verstaan dat de aanvrager - voorzover hij krachtens het vernietigde arrest nog vrijheidsstraf mocht ondergaan - van rechtswege vrij is en mitsdien onverwijld in vrijheid behoort te worden gesteld en dat de Hoge Raad zal verstaan dat - nu de bij het ten laste van [betrokkene 1] gewezen arrest uitgesproken straf aan hem niet slechts is opgelegd wegens het begaan van het onder parketnummer 08/008944-96 bewezenverklaarde feit doch mede wegens andere feiten - het bepaalde in art. 461 lid 2 Sv Pro niet zijn onverwijlde invrijheidstelling meebrengt(6).
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 De Hoge Raad kan alsnog kennisnemen van de in het aan de aanvrage gehechte tegen [betrokkene 1] gewezen arrest van 29 mei 1998, ontbrekende bewezenverklaring en de aanvulling met de bewijsmiddelen, nu deze behoren tot de in het kader van de herzieningsaanvrage opgevraagde dossierstukken.
2 Nr. 99.936
3 Nr. 112.458.
4 Nr. 21/002229-93.
5 Nr. 21/001944-97.
6 Vgl. HR 2 december 1969, NJ 1970, 64.