ECLI:NL:PHR:2005:AR4035
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over oproeping beperkt gerechtigde bij opheffing erfdienstbaarheid na samenvoeging percelen
In deze zaak staat centraal de opheffing van een erfdienstbaarheid van uitgang die is gevestigd ten laste van een perceel en ten nutte van een ander perceel waarop een recht van hypotheek rust. De eigenaar van het dienende erf (eiser) vordert opheffing van de erfdienstbaarheid wegens samenvoeging van de percelen waardoor de uitoefening van de erfdienstbaarheid onmogelijk is geworden. Het hof wees de vordering af omdat de hypotheekhouder niet in het geding was geroepen conform art. 5:81 lid 2 BW Pro.
De Hoge Raad stelt vast dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de oproeping van de beperkt gerechtigde niet voor het eerst in appel kan geschieden. De wet en parlementaire geschiedenis maken duidelijk dat een oproeping ook in hoger beroep tijdig kan zijn, mits de opgeroepene nog de volle gelegenheid heeft zijn standpunt uiteen te zetten en de andere partij niet in zijn verdediging wordt geschaad.
De Hoge Raad benadrukt dat het stilzwijgen van de hypotheekhouder niet kan worden opgevat als een verklaring van geen bezwaar en dat de oproeping op de juiste wijze moet plaatsvinden. Het arrest vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling waarbij de hypotheekhouder alsnog op de juiste wijze moet worden opgeroepen.
Daarnaast behandelt de Hoge Raad bezwaren tegen het oordeel van het hof over de onmogelijkheid en verzwaring van de erfdienstbaarheid door samenvoeging van percelen en over de belangen van partijen bij de gevorderde verklaringen voor recht. De klachten worden grotendeels verworpen, maar het oordeel over de oproeping is doorslaggevend voor de verwijzing.
Uitkomst: Het arrest vernietigt het hofarrest wegens onjuiste toepassing van art. 5:81 lid 2 BW en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling met juiste oproeping van de hypotheekhouder.