ECLI:NL:PHR:2005:AR4766
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over correctie en brutering van te weinig ingehouden WAO-premies bij parttime medewerkers
In deze zaak stond centraal of de werkgever, die te weinig WAO-premies had ingehouden over de jaren 1990 tot en met 1994, loon uit dienstbetrekking verstrekte door de premies voor eigen rekening te nemen. Na een looncontrole bleek dat de werkgever een te hoog WAO-franchisebedrag had toegepast vanwege een onjuiste berekening van sociale verzekeringsdagen van parttime medewerkers. Dit leidde tot een correctie en een aanvullende premieheffing door het UWV.
De werkgever betwistte dat zij loon uit dienstbetrekking verstrekte, omdat zij meende dat het wettelijke verhaalsverbod haar verhinderde de premies op de werknemers te verhalen, waardoor er geen sprake zou zijn van een voordeel voor de werknemers. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de werkgever de premies voor haar rekening had genomen en dat dit een voordeel uit dienstbetrekking vormde.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en benadrukte dat het bij brutering aankomt op de bewustheid van de werkgever en werknemer dat er sprake is van loon en dat de werkgever de inhouding voor eigen rekening wilde nemen. Het wettelijke verhaalsverbod verhindert niet dat het voordeel als loon wordt aangemerkt indien de werkgever bewust de premies voor eigen rekening neemt. De Hoge Raad verklaarde het beroep van de werkgever ongegrond en handhaafde de premieheffing.
De conclusie bevat tevens een uitgebreide beschouwing over de nuances van directe en indirecte brutering, het wettelijke verhaalsverbod en bijzondere omstandigheden die het loonbegrip kunnen beïnvloeden. De Hoge Raad benadrukt het belang van de bewustheid van bevoordeling en het onderscheid tussen het bewust lopen van risico en het daadwerkelijk nemen van de inhoudingen voor eigen rekening.
Uitkomst: Het beroep van de werkgever wordt ongegrond verklaard; de aanvullende WAO-premies zijn premieloon en moeten worden betaald.