ECLI:NL:PHR:2005:AR4835
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van verjaring en schorsing bij invordering bestuurlijke dwangsommen
In deze zaak staat centraal of de bevoegdheid tot invordering van verbeurde bestuurlijke dwangsommen verjaart of wordt geschorst door het instellen van hoger beroep tegen het vonnis waarbij het verzet tegen het dwangbevel is afgewezen.
De feiten betreffen een besluit van de gemeente Maasdonk om de agrarische bestemming van terreingedeelten te herstellen, met een dwangsom bij niet-naleving. Na diverse procedures en brieven waarin de gemeente haar recht op nakoming voorbehoudt, is een dwangbevel uitgevaardigd en betekend. Verzet tegen dit dwangbevel werd door de rechtbank en het hof ongegrond verklaard, waarna cassatie werd ingesteld.
De Hoge Raad bespreekt de toepassing van artikel 5:35 Awb Pro, dat een verjaringstermijn van zes maanden kent voor de invordering van dwangsommen, en artikel 5:26 lid 4 Awb Pro, dat de tenuitvoerlegging van het dwangbevel schorst bij verzet. De Raad concludeert dat de schorsing van de verjaringstermijn door het instellen van verzet ook geldt voor het hoger beroep tegen het vonnis in die verzetprocedure, en dat het instellen van hoger beroep dus opnieuw de verjaring schorst.
Het beroep wordt verworpen, waarmee bevestigd is dat de bevoegdheid tot invordering van bestuurlijke dwangsommen niet verjaart zolang de verzetprocedure, inclusief hoger beroep, loopt.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de verjaring van de bevoegdheid tot invordering van bestuurlijke dwangsommen wordt geschorst door het instellen van hoger beroep tegen het vonnis in de verzetprocedure.