ECLI:NL:PHR:2005:AR4847
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing verzoek tot vaststelling Nederlanderschap minderjarige dochters
De zaak betreft een verzoek ex artikel 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap tot vaststelling van het Nederlanderschap van twee minderjarige dochters van de verzoekster. De moeder stelt dat haar dochters Nederlanderschap hebben verkregen door een geldige optieverklaring namens hen af te leggen. De Staat betwist dit en voert aan dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 6 lid 1 onder Pro b van de Rijkswet op het Nederlanderschap, met name dat de dochters niet staatloos zijn.
De rechtbank heeft het verzoek afgewezen omdat op grond van het rapport van het Internationaal Juridisch Instituut en de overgelegde documenten aannemelijk is dat de ouders de Armeense nationaliteit bezitten en dat de dochters deze nationaliteit eveneens bezitten. De moeder kon niet aantonen dat haar dochters staatloos zijn. De rechtbank oordeelde dat de door de moeder overgelegde documenten onvoldoende bewijs leveren van staatloosheid.
De moeder kwam in cassatie tegen deze afwijzing met twee middelen, die de Hoge Raad beide verwierp. Het eerste middel betrof de vraag of de ouders de Armeense nationaliteit nog bezitten, waarbij de Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank dit terecht aannam. Het tweede middel betrof de bewijswaardering omtrent de staatloosheid van de dochters, waarbij de Hoge Raad oordeelde dat de bewijswaardering een feitelijk oordeel is dat in cassatie niet kan worden bestreden. De Hoge Raad bevestigt daarmee het oordeel van de rechtbank en wijst het cassatieberoep af.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap van de minderjarige dochters wordt afgewezen omdat niet is aangetoond dat zij staatloos zijn.