ECLI:NL:PHR:2005:AR4847

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R04/025HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 RWNArt. 17 RWNArt. 18 lid 1 RWNArt. 18 lid 2 RWNArt. 79 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing verzoek tot vaststelling Nederlanderschap minderjarige dochters

De zaak betreft een verzoek ex artikel 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap tot vaststelling van het Nederlanderschap van twee minderjarige dochters van de verzoekster. De moeder stelt dat haar dochters Nederlanderschap hebben verkregen door een geldige optieverklaring namens hen af te leggen. De Staat betwist dit en voert aan dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 6 lid 1 onder Pro b van de Rijkswet op het Nederlanderschap, met name dat de dochters niet staatloos zijn.

De rechtbank heeft het verzoek afgewezen omdat op grond van het rapport van het Internationaal Juridisch Instituut en de overgelegde documenten aannemelijk is dat de ouders de Armeense nationaliteit bezitten en dat de dochters deze nationaliteit eveneens bezitten. De moeder kon niet aantonen dat haar dochters staatloos zijn. De rechtbank oordeelde dat de door de moeder overgelegde documenten onvoldoende bewijs leveren van staatloosheid.

De moeder kwam in cassatie tegen deze afwijzing met twee middelen, die de Hoge Raad beide verwierp. Het eerste middel betrof de vraag of de ouders de Armeense nationaliteit nog bezitten, waarbij de Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank dit terecht aannam. Het tweede middel betrof de bewijswaardering omtrent de staatloosheid van de dochters, waarbij de Hoge Raad oordeelde dat de bewijswaardering een feitelijk oordeel is dat in cassatie niet kan worden bestreden. De Hoge Raad bevestigt daarmee het oordeel van de rechtbank en wijst het cassatieberoep af.

Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap van de minderjarige dochters wordt afgewezen omdat niet is aangetoond dat zij staatloos zijn.

Conclusie

Rek.nr. R04/025HR
Mr L. Strikwerda
Parket, 29 okt. 2004
conclusie inzake
[Verzoekster] als wettelijk vertegenwoordigster van [betrokkene 1] en [betrokkene 2]
tegen
De Staat der Nederlanden
Edelhoogachtbaar College,
1. De onderhavige zaak betreft een verzoek ex art. 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) tot vaststelling van het Nederlanderschap van de minderjarige dochters van thans eiseres tot cassatie. Daarbij gaat het om de toepassing van art. 6 lid Pro 1 (oud) RWN dat, voor zover thans van belang, luidt:
"Door het afleggen van een daartoe strekkende verklaring verkrijgt het Nederlanderschap:
a. (...);
b. degene die in Nederland (...) is geboren, aldaar tenminste 3 jaren woonplaats of werkelijk verblijf heeft en sedert zijn geboorte staatloos is, mits hij de leeftijd van 25 jaar nog niet heeft bereikt. Voor een minderjarige moet de verklaring worden afgelegd door zijn wettelijk vertegenwoordiger."
Inzet in cassatie is de vraag is de rechtbank heeft kunnen oordelen dat niet is aangetoond dat genoemde dochters sedert hun geboorte staatloos zijn.
2. In cassatie dient van de volgende feiten te worden uitgegaan (zie r.o. 4 van de tussenbeschikking van de rechtbank van 13 december 2001):
(i) Verzoekster tot cassatie, hierna: de moeder, en [de vader], hierna: de vader, zijn geboren in Armenië, dat ten tijde van hun geboorten nog deel uitmaakte van de USSR.
(ii) Op 9 januari 1995 zijn de ouders Nederland ingereisd terwijl zij in het bezit waren van een door de Armeense autoriteiten op 16 september 1994 afgegeven paspoort van de USSR. Dit paspoort was geldig tot 16 september 1999.
(iii) Direct bij aankomst in Nederland op 9 januari 1995 hebben de ouders aanvragen ingediend om toegelaten te worden als vluchteling met verlening van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Op deze aanvragen is op 9 juli 1996 negatief beslist. Ingediende bezwaarschriften hebben niet geleid tot een voor de ouders positief besluit.
(iv) De beide minderjarigen zijn geboren te [geboorteplaats], [betrokkene 1] op [geboortedatum] 1997 en [betrokkene 2] op [geboortedatum] 1999.
3. Bij een ter griffie van de rechtbank te 's-Gravenhage op 7 maart 2001 ingediend verzoekschrift heeft de moeder deze rechtbank verzocht om op de voet van art. 17 RWN Pro vast te stellen dat [betrokkene 1 en 2] de Nederlandse nationaliteit bezitten. Ten grondslag aan haar verzoek heeft de moeder gelegd dat [betrokkene 1 en 2] geacht moeten worden het Nederlanderschap te hebben verkregen, nu de moeder ingevolge het bepaalde in art. 6 lid Pro 1, aanhef en onder b (oud) RWN op 27 september 1999 namens [betrokkene 1 en 2] rechtsgeldig heeft geopteerd voor het Nederlanderschap.
4. Thans verweerder in cassatie, hierna: de Staat, heeft verweer gevoerd tegen het verzoek. De Staat stelt zich op het standpunt dat [betrokkene 1 en 2] het Nederlanderschap niet bezitten, aangezien niet is voldaan aan de voorwaarden die art. 6 lid Pro 1, aanhef en onder b (oud) RWN stelt om met rechtsgevolg ten behoeve van [betrokkene 1 en 2] te opteren voor het Nederlanderschap.
5. Het op de voet van art. 18 lid 1 RWN Pro door de rechtbank gehoorde openbaar ministerie heeft tot afwijzing van het verzoek geconcludeerd.
6. Bij tussenbeschikking van 13 december 2001 heeft de rechtbank overwogen dat voor de toepassing van het bepaalde in art. 6 lid Pro 1, aanhef en onder b (oud) RWN onder andere is vereist dat [betrokkene 1 en 2] sedert hun geboorte staatloos zijn (r.o. 4.2). In dit verband heeft de rechtbank, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, het Internationaal Juridisch Instituut (I.J.I.) te 's-Gravenhage verzocht te rapporteren omtrent een aantal vragen van Armeens nationaliteitsrecht.
7. Nadat het I.J.I. een rapport had uitgebracht en partijen bij brief op het rapport hadden gereageerd, heeft de rechtbank bij eindbeschikking van 13 november 2003 het verzoek van de moeder afgewezen. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat het, gelet op het rapport van het I.J.I., alsmede op het op naam van de moeder, op 16 september 1994 door de USSR afgegeven paspoort en het door de consul van Armenië te Brussel op 4 februari 2000 aan de vader verstrekte laissez-passer, aannemelijk is dat de beide ouders de Armeense nationaliteit bezitten, terwijl niet is aangetoond dat de ouders die nationaliteit op enigerlei wijze zouden hebben verloren. Derhalve is ook aannemelijk, zo vervolgt de rechtbank, dat [betrokkene 1 en 2], ingevolge art. 11 van Pro de Armeense nationaliteitswet, eveneens de Armeense nationaliteit bezitten (r.o. 7). Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het op de weg van de moeder ligt om de staatloosheid van haar dochters aan te tonen. Naar het oordeel van de rechtbank tonen de genoemde documenten deze staatloosheid allerminst aan en tonen ook de door de moeder overgelegde ongedateerde brief van de consul van Armenië te België en email van de Armeense ambassade te Canada niet aan dat de dochters staatloos zijn (r.o. 8).
8. De moeder is tegen de eindbeschikking van de rechtbank op de voet van art. 18 lid 2 RWN Pro (tijdig) in cassatie gekomen met twee middelen. De Staat heeft een verweerschrift ingediend en daarbij de middelen bestreden en de Hoge Raad verzocht het cassatieberoep te verwerpen.
9. Middel I bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat de ouders blijkens de (Armeense) wet en de diverse documenten nog immer als Armeense burgers beschouwd dienen te worden. Het middel voert daartoe aan dat in de ongedateerde brief van de Armeense ambassade (consul?) in België is gesteld dat indien de ouders als vluchteling vanuit Armenië in Nederland zijn toegelaten, de kinderen de Armeense nationaliteit niet verkrijgen, en voorts dat de kinderen alleen al op grond van het feit dat hun ouders op het moment van hun geboorten geen geregistreerde woonplaats in Armenië hadden, niet geacht kunnen worden de ouders te volgen in de verkrijging van de Armeense nationaliteit.
10. Voor zover het middel wil betogen dat de rechtbank ten onrechte is voorbij gegaan aan de stelling van de moeder dat de ouders de Armeense nationaliteit hebben verloren omdat zij vluchteling zijn, faalt het middel wegens gebrek aan feitelijke grondslag. De rechtbank heeft immers - onbestreden in cassatie - in r.o. 4.3 van haar tussenbeschikking van 13 december 2001 overwogen dat die situatie zich in het onderhavige geval niet voordoet. In r.o. 8 van haar eindbeschikking heeft de rechtbank in aanvulling hierop opgemerkt dat de moeder en de dochters niet als vluchteling kunnen worden aangemerkt zolang er geen definitieve uitspraak is gedaan in de verblijfsrechtelijke procedure van betrokkenen. Deze oordelen van de rechtbank zijn bovendien niet onbegrijpelijk.
11. Voor zover het middel wil betogen dat de rechtbank een onjuiste toepassing heeft gegeven aan de Armeense nationaliteitswetgeving, stuit het af op het bepaalde in art. 79 lid Pro 1, aanhef en onder b, RO jo. art. 426 lid 4 Rv Pro.
12. De in het cassatierekest onder 3.4 gestelde omstandigheid dat ingevolge een uitspraak 15 december 2003 van de Vreemdelingenkamer van de rechtbank te Haarlem het beroep in de asielprocedure van de ouders gegrond is verklaard en dat dus vaststaat dat zij vluchteling zijn, kan ingevolge art. 419 lid 2 jo Pro. art. 429 lid 2 Rv Pro niet dienen als feitelijke grondslag van het middel.
13. Middel I, zo volgt, zal niet tot cassatie kunnen leiden.
14. Middel II neemt stelling tegen het oordeel van de rechtbank - in r.o. 8 - dat het op de weg van de moeder ligt om de staatloosheid van haar dochters aan te tonen, dat de in r.o. 6 genoemde documenten deze staatloosheid allerminst aantonen, en dat ook de door de moeder overgelegde ongedateerde brief van de consul van Armenië en email van de Armeense ambassade te Canada niet aantonen dat de dochters staatloos zijn.
15. Voor zover het middel wil betogen dat het bestreden oordeel van de rechtbank rechtens onjuist is, omdat de bedoelde bescheiden wel voldoende bewijs opleveren voor de stelling dat de dochters staatloos zijn, moet het falen. Het oordeel van de rechtbank berust op een waardering van de in het geding gebrachte bescheiden in het licht van haar oordeel omtrent de inhoud en strekking van de Armeense nationaliteitswetgeving. Dit laatste oordeel onttrekt zich, zoals eerder aangetekend, aan toetsing in cassatie op juistheid, terwijl de bewijswaardering van de overgelegde documenten als feitelijk oordeel is voorbehouden aan de rechtbank en in cassatie niet met vrucht met een rechtsklacht kan worden bestreden.
16. Voor zover het middel wil betogen dat het oordeel van de rechtbank ontoereikend is gemotiveerd, omdat de rechtbank had dienen te motiveren waarom zij de in de van de Armeense consul in België afkomstige brief en in de email van de Armeense ambassade in Canada weergegeven inhoud van het Armeense nationaliteitsrecht, niet nader heeft onderzocht, faalt het evenzeer. Ten aanzien van de brief van de consul in België heeft de rechtbank overwogen dat de daarin bedoelde situaties zich in het onderhavige geval niet voordoen, terwijl de rechtbank met betrekking tot de email van de ambassade in Canada heeft overwogen dat deze betrekking heeft op een andere zaak en onvoldoende informatie bevat om een vergelijking te kunnen maken met de onderhavige zaak. Bij deze stand van zaken is, ook zonder nadere motivering, niet onbegrijpelijk dat de rechtbank zich niet geroepen heeft gevoeld een nader onderzoek in te stellen naar de in die brief en email weergegeven inhoud van het Armeense nationaliteitsrecht.
17. Uit het vorenstaande vloeit tevens voort dat eveneens moet falen de klacht dat de rechtbank de Staat had behoren op te dragen om Armeense autoriteiten ter zake van de nationaliteit van de ouders en de dochters te horen.
18. Ook middel II is derhalve tevergeefs voorgesteld.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,