2. Bij de beoordeling van dit verzet kan van het volgende worden uitgegaan:
i) De Staat heeft bij dagvaarding geboekt onder rolnummer C02/322HR principaal cassatieberoep ingesteld tegen de arresten van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 17 mei 2001 en van 29 augustus 2002, gewezen tussen [betrokkene 1] als appellante en de Staat als geïntimeerde. [Betrokkene 1] heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. In appel had [betrokkene 1] gevorderd het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 17 maart 1999 te vernietigen en alsnog toe te wijzen haar door de rechtbank afgewezen vorderingen om vast te stellen dat de Staat jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door TdV met onbegeleid verlof uit de Van Mesdag kliniek te laten vertrekken waar hij verbleef in het kader van een onvoorwaardelijke TBS en om de Staat te veroordelen tot betaling van immateriële schadevergoeding ten bedrage van f 40.000,- en een materiële schadevergoeding van f 13.046,86, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het hof heeft geoordeeld dat de Staat - anders dan [betrokkene 1] primair aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd - niet onzorgvuldig jegens [betrokkene 1] heeft gehandeld door TdV onbegeleid verlof te verlenen doch dat de Staat - zoals [betrokkene 1] subsidiair heeft betoogd - op grond van het leerstuk van de onevenredige schade (het beginsel van gelijkheid van openbare lasten) verplicht is tot vergoeding van de door [betrokkene 1] geleden schade; het hof heeft de immateriële schade bepaald op f 15.000,- en het heeft de materiële schade toewijsbaar geoordeeld tot een bedrag van f 6.569,24, om vervolgens te concluderen dat aan [betrokkene 1] met inachtneming van het door het Schadefonds Geweldsmisdrijven aan [betrokkene 1] uitgekeerde bedrag - met welk bedrag [betrokkene 1] haar vordering had verminderd - een bedrag toekomt van f 9.774,24 ofwel 4.435,35 euro. Het hof heeft in zijn eindarrest het bestreden vonnis vernietigd; het heeft de Staat veroordeeld tot betaling van een bedrag van 4.435,35 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente, met afwijzing van het meer of anders gevorderde.
ii) Blijkens de conclusie van de cassatiedagvaarding strekt het door de Staat ingestelde cassatieberoep ertoe dat de arresten van het hof worden vernietigd "met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad zal vermenen te behoren"; het cassatieberoep richt zich tegen de toewijzing van het bedrag van 4.435,35 euro, zijnde een deel van het totale gevorderde bedrag.
iii) Blijkens de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, strekt het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ertoe dat, zo de voorwaarde is vervuld waaronder dit beroep is ingesteld (te weten dat het principaal cassatieberoep slaagt), 's hofs arresten worden vernietigd "met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad zal vermenen te behoren"; het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep gaat ervan uit dat het hof terecht slechts een bedrag van 4.435,35 euro van de totale vordering heeft toegewezen en richt zich slechts tegen 's hofs verwerping van de primaire grondslag van de vordering.
iv) De waarnemend griffier heeft het griffierecht aanvankelijk aan de hand van de gedingstukken waarover hij toen beschikte voorlopig vastgesteld op 230,- euro, daarbij kennelijk ervan uitgaande dat het financiële belang in cassatie 4.435,35 euro beloopt nu het cassatieberoep slechts de toewijzing door het hof van dat bedrag betreft. Na ontvangst van aanvullende gegevens en het volledige procesdossier heeft de waarnemend griffier het griffierecht definitief vastgesteld op 625,- euro onder de mededeling dat hem is gebleken dat het in de procedure om een financieel belang van 24.071,62 euro gaat; dit is bij brief van 27 januari 2004 medegedeeld aan mr. Van Staden ten Brink.
v) Mr. Van Staden ten Brink heeft bij bezwaarschrift dat op 30 januari 2004 ter griffie is ingekomen, verzet aangetekend tegen de vaststelling van het griffierecht op 625,- euro. Hij heeft daartoe, kort gezegd, betoogd dat de "Streitwert" in cassatie slechts 4.435,35 euro bedraagt nu de vordering van [betrokkene 1] tegen de Staat door het hof tot niet meer dan 4.435,35 euro is toegewezen en de Staat daarvan in cassatie is gekomen terwijl het voorwaardelijk ingestelde cassatieberoep geen betrekking heeft op de afwijzing van het hof van het meerdere, maar uitsluitend op de grond die het hof in zijn arrest bezigt ter zake van de toewijzing van bedoeld bedrag van 4.435,35 euro.
vi) De griffier heeft een verweerschrift ingediend. Zij heeft in haar verweerschrift aangegeven dat het door mr. Van Staden ten Brink ingediende verzet om een antwoord vraagt dat voor de praktijk van het vaststellen van het griffierecht van belang is en dat zulks reden voor haar is om uw Raad om een uitspraak te vragen. Zij heeft vervolgens onder verwijzing naar de beschikkingen van uw Raad 30 maart 1990, NJ 1990, 515 en van 27 september 2002, NJ 2002, 533, betoogd dat het verzet voorbijgaat aan de vaste jurisprudentie van uw Raad waarin wordt geoordeeld dat voor de berekening van het griffierecht in cassatie moet worden aangeknoopt bij het bedrag van de vordering waarover de rechter tegens wiens uitspraak het beroep in cassatie is gericht, had te beslissen. De griffier heeft geconcludeerd tot verwerping van het ingestelde verzet met verzoek aan uw Raad het verzet ongegrond te verklaren.
vii) Uw Raad heeft op 28 mei 2004 arrest gewezen in de zaak de Staat tegen [betrokkene 1].