ECLI:NL:PHR:2005:AR5897
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over toepassing zelfstandigenaftrek en startersaftrek bij urencriterium en navorderingsaanslag
Belanghebbende startte in 1996 een onderneming en vroeg zelfstandigenaftrek aan voor dat jaar. De Inspecteur legde aanvankelijk aanslagen op met toepassing van de aftrek, maar stelde later via een navorderingsaanslag vast dat het urencriterium niet was gehaald, waardoor de zelfstandigenaftrek en startersaftrek werden afgewezen.
Het geschil betrof de uitleg van artikel 44m, derde lid, Wet op de inkomstenbelasting 1964, waarin wordt bepaald dat startersaftrek alleen geldt indien in de voorafgaande jaren niet meer dan tweemaal zelfstandigenaftrek is toegepast. Belanghebbende stelde dat het criterium moet worden uitgelegd als recht hebben op zelfstandigenaftrek, niet de feitelijke toepassing.
De Hoge Raad concludeerde dat de tekst en wetsgeschiedenis het begrip 'toegepast is' letterlijk moeten worden genomen, wat betekent dat het gaat om feitelijke toepassing door de inspecteur bij aanslagoplegging. Dit voorkomt bewijsproblemen en bevordert rechtszekerheid. Omdat in 1996 geen zelfstandigenaftrek feitelijk was toegepast, had belanghebbende in 1999 recht op startersaftrek en de daaraan gekoppelde faciliteit van willekeurige afschrijving.
De conclusie van de Advocaat-Generaal was dat het beroep in cassatie gegrond moet worden verklaard en dat de zaak door de Hoge Raad zelf kan worden afgedaan. Hiermee werd het oordeel van het hof vernietigd dat belanghebbende geen recht had op startersaftrek in 1999.
Uitkomst: Belanghebbende had in 1999 recht op startersaftrek omdat in 1996 geen zelfstandigenaftrek feitelijk was toegepast.