1 Gerechtshof Arnhem 9 september 2003, nr. 01/00667.
2 Dit ontleen ik aan het proces-verbaal van de zitting van 2 oktober 2002.
3 De navorderingsaanslag over het jaar 1994 behoort niet tot de stukken van het geding.
4 De uitspraak op bezwaar behoort niet tot de stukken van het geding. Het hier vermelde valt af te leiden uit een brief van de Inspecteur van 28 november 2000 aan belanghebbende (bijlage bij het beroepschrift).
5 Deze brief is verzonden na de zitting van 2 oktober 2002 en bevat onder meer het volgende: "Tijdens de zitting van bovenvermelde beroepsprocedure (hofkenmerk BK/M2-01/00667) woensdag 2 oktober j.l. gaf u te kennen te willen beschikken over een kopie van de (primitieve) aanslag IB 1997. Dit met het oog op de vaststelling dat sprake is geweest van het afgeven van de voorgeschreven verliesbeschikking als bedoeld in art. 51a Wet IB'64. Telefonische navraag leerde mij dat de huidige gemachtigde A is van buro B te Q. Deze heeft mij heden 7 oktober een fax gezonden van de (voorzijde) van de bedoelde aanslag. Hieruit blijkt dat inderdaad een verliesbeschikking is afgegeven. Ik heb ook alle reden aan te nemen dat de wijze waarop hiertegen bezwaar kon worden aangetekend op de achterzijde is vermeld. Onderaan in de eerste kolom van de aanslag is nog te lezen: "Tegen deze beschikking kunt u ...". Voor de volledigheid voeg ik tevens elementen van de aanslag bij zoals die blijken uit ons interne IBS-systeem. (...)".
6 Voormelde wetten zijn daartoe gewijzigd bij Wet van 23 december 1994 tot wijziging van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (onbeperkte voorwaartse verrekening van ondernemingsverliezen en vaststelling van verliezen bij beschikking), Stb. 1994, 937.
7 Kamerstukken II, vergaderjaar 1994-1995, 23 962, nr. 3, memorie van toelichting, p. 1.
8 Zie J.H. Asbreuk en J.J. Hoevenaars, De verliesbeschikking: winst of verlies voor belastingplichtigen?, TFB 2003/3, p. 23-27; J.A.R. van Eijsden, Enkele formele aspecten van verliesverrekening, WFR 2003/6533, p. 939-947; Hans van Leijenhorst, Verliesverrekening, WFR 2004/6582, p. 923/924; J.M. van der Vegt, De formele aspecten van verliescompensatie: een terrein met vele valkuilen, Fiscaal praktijkblad 2004/12, p. 4-7.
9 V-N 2004/40.15. Dit wordt ook gesignaleerd in het commentaar van de redactie van Nederlands Tijdschrift voor Fiscaal Recht op de antwoorden van de Staatssecretaris van Financiën van 1 september 2004, DGB 2004-03838 U op kamervragen over verliesbeschikkingen bij de heffing van vennootschapsbelasting, NTFR 2004/1332.
10 HR 3 maart 1993, nr. 28685, BNB 1993/155.
11 Wet van 8 november 1984 (Stb. 534), houdende verruiming van de verliescompensatie alsmede aanpassing van de termijn voor navordering.
12 J.W. Zwemmer, Verliescompensatie, tweede herziene druk, Kluwer Deventer 1990, par. 4.2.2.
13 In zijn arrest van 22 november 2002, nr. 37061, na conclusie van A-G Groeneveld, BNB 2003/62, heeft de Hoge Raad voor de toepassing van artikel 20a, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 in rechtsoverweging 3.4 geoordeeld: "Artikel 20a, lid 1, van de Wet bepaalt dat de inspecteur het bedrag van een verlies van een jaar vaststelt bij voor bezwaar vatbare beschikking, gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over dat jaar. Als uitgangspunt heeft derhalve te gelden dat de verliesbeschikking gelijktijdig met de aanslag over het desbetreffende jaar wordt genomen. Uit de tekst van deze bepaling volgt evenwel niet dat een verliesbeschikking uitsluitend mag worden vastgesteld indien tevens een aanslag wordt vastgesteld. Een dergelijke uitleg komt bovendien in strijd met de aan die bepaling ten grondslag liggende rechtszekerheidsgedachte. Blijkens de in onderdeel 3.1 van de conclusie van de Advocaat-Generaal vermelde geschiedenis van totstandkoming van de Wet is met de onderhavige bepaling met name beoogd te bewerkstelligen dat het bedrag van het verlies tijdig bij de belastingplichtige bekend is, en is het systeem van de vaststelling van de verliesbeschikking gelijktijdig met de aanslag gebaseerd op de gedachte dat de inspecteur de aangifte nodig heeft om het bedrag van het verlies te bepalen. De belastingplichtige heeft bij het vaststellen van de verliesbeschikking voorts een materieel belang, nu artikel 20, lid 2, van de Wet aan de verrekening van een verlies de voorwaarde stelt dat het verlies door de inspecteur is vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking. De vaststelling van het verlies van een jaar door de inspecteur moet derhalve ook mogelijk worden geacht in een geval waarin op grond van artikel 25a van de Wet geen aanslag dient te worden vastgesteld."
14 Kamerstukken II, vergaderjaar 1994-1995, 23 962, nr. 3, memorie van toelichting, p. 4 en 5.
15 Kamerstukken II, vergaderjaar 1994-1995, 23 962, nr. 3, memorie van toelichting, p. 8/9.
16 Voor verrekening van verliezen, ontstaan in de jaren vóór 1995 geldt met ingang van 1995 op grond van een overgangsregeling hetzelfde. Zie HR 18 oktober 2002, nr. 36901, BNB 2003/5.
17 Kamerstukken II, vergaderjaar 1994-1995, 23 962, nr. 3, memorie van toelichting, p. 2.
18 Kamerstukken II, vergaderjaar 1994-1995, 23 962, nr. 3, memorie van toelichting, p. 9.
19 Kamerstukken II, vergaderjaar 1994-1995, 23 962, nr. 3, memorie van toelichting, p. 9/10.
20 Kamerstukken II, vergaderjaar 1994-1995, 23 962, nr. 3, memorie van toelichting, p. 9.
21 J.W. Zwemmer, Verliescompensatie, derde herziene druk, Kluwer Deventer 1995, p. 44.
22 J.W. Zwemmer, Verliescompensatie, vierde herziene druk, Kluwer Deventer 2003, p. 19.
23 Besluit van 30 november 1999, nr. DB99/3232M, BNB 2000/70.
24 Zie voetnoot 8.
25 Zie J.A.R. van Eijsden, a.w., p. 940 e.v.
26 Gerechtshof te 's-Hertogenbosch 16 mei 2001, nr. 98/4461, V-N 2001/60.4.
27 Gerechtshof te 's-Gravenhage 11 december 2001, nr. 00/2987, V-N 2002/19.6.
28 Gerechtshof te Amsterdam 20 maart 2002, nr. 00/2985, V-N 2003/35.5.
29 Gerechtshof te Arnhem 16 april 2003, nr. 00/0659, V-N 2003/37.1.31.
30 Gerechtshof te Amsterdam, 4 mei 2004, nr. 03/1423, V-N 2004/45.5.
31 Gerechtshof te 's-Gravenhage, 17 augustus 2004, BK-03/02243, LJN AQ7351.
32 Zie Hans van Leijenhorst, a.w., blz. 923/924; J.H. Asbreuk en J.J. Hoevenaars, a.w., p. 27.
33 J.A.R. van Eijsden, a.w., p. 943 en 947.
34 Staatssecretaris van Financiën 1 september 2004, DGB 2004-03838 U, Antwoorden Kamervragen, NTFR 2004/1332.
35 In gelijke zin J.H. Asbreuk en J.J. Hoevenaars, a.w., p. 24, die stellen dat een verliesvaststellingsbeschikking formele rechtskracht heeft.
36 Vgl. ook HR 24 maart 1982, nr. 20982, BNB 1982/160.
37 De verliesvaststellingsbeschikking is gedagtekend 11 juni 1998. De uitspraak van het Hof is van 9 september 2003. Ervan uitgaande dat voor het doen van aangifte geen uitstel is verleend tot na 1 april 1998, was de herzieningstermijn op het moment dat het Hof uitspraak deed dus al verstreken.
38 Vgl. HR 24 augustus 1995, nr. 30416, BNB 1996/124.