ECLI:NL:PHR:2005:AR6165
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vereisten voor geldige cessie en bepaalbaarheid van vorderingen bij overdracht activa eenmanszaak aan BV
Deze zaak betreft de vraag of de overdracht van vorderingen uit facturen aan een verweerder via een akte van inbreng, waarin sprake is van overdracht van "alle activa" van een eenmanszaak aan een BV, rechtsgeldig is en voldoet aan het vereiste van voldoende bepaalbaarheid van de vorderingen. De eiseres vordert betaling van onbetaalde facturen uit 1988, die zij stelt te hebben overgenomen van de eenmanszaak via de BV.
De verweerder betwist de rechtsgeldigheid van de cessie en stelt dat de vorderingen niet voldoende zijn bepaald in de akte van inbreng, mede omdat de facturen als dubieus waren aangemerkt en er geen nadere specificatie is gegeven. Het hof oordeelde dat de cessieakte onvoldoende bepaalbaar was en dat eiseres onvoldoende bewijs had geleverd dat de specifieke vorderingen waren overgedragen.
De Hoge Raad overweegt dat een generieke omschrijving zoals "alle activa" in beginsel kan volstaan voor de bepaalbaarheid van vorderingen, ook bij betwisting door de debiteur, mits de vorderingen achteraf kunnen worden vastgesteld. Het hof heeft echter onvoldoende gemotiveerd waarom nader bewijs vereist zou zijn in dit geval, zeker gezien de aard van de overdracht van de gehele onderneming. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak voor verdere behandeling naar het gerechtshof.
De uitspraak verduidelijkt de maatstaf voor de uitleg van cessieaktes en de eisen aan de bepaalbaarheid van overgedragen vorderingen, waarbij ook rekening wordt gehouden met de redelijke verwachtingen van de debiteur. Tevens bevestigt de Hoge Raad dat ook dubieuze vorderingen onderdeel kunnen zijn van de overdracht van alle activa.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest hof wegens onvoldoende motivering over bepaalbaarheid van vorderingen en verwijst zaak terug.