AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Executoriaal derdenbeslag op salaris wegens alimentatie en verrekening rekening-courant
In deze zaak staat het executoriaal derdenbeslag centraal dat door verweerster is gelegd op het salaris dat eiseres aan betrokkene 1 verschuldigd is, ter inning van achterstallige alimentatie. Eiseres wenste het salaris te verrekenen met een rekening-courantvordering op betrokkene 1, die tevens directeur en aandeelhouder van eiseres is.
De kantonrechter wees de vordering van verweerster grotendeels toe, maar het hof vernietigde dit en bepaalde dat eiseres gehouden is tot betaling van een bedrag van € 2.005,94 per maand vanaf de beslaglegging. Het hof oordeelde dat verrekening in beginsel mogelijk is, maar dat het beroep daarop jegens verweerster onaanvaardbaar is vanwege de nauwe verwevenheid tussen eiseres en betrokkene 1 en de kansrijke Pauliana-vernietiging.
De Hoge Raad bevestigt dat het hof niet buiten de rechtsstrijd is getreden en dat het oordeel over onaanvaardbaarheid van verrekening aan de feitenrechter toekomt. Het cassatieberoep van eiseres wordt verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft. Eiseres wordt veroordeeld tot betaling van het beslagvrije deel van het salaris en in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres wordt verworpen en zij wordt veroordeeld tot betaling van het beslagvrije loonbedrag vanaf de datum van beslaglegging.
Conclusie
Rolnr. C03/293HR
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 12 november 2004
Conclusie inzake:
[eiseres]
tegen
[verweerster]
Het gaat in deze kort gedingprocedure over het door verweerster in cassatie, [verweerster], gelegde executoriale derdenbeslag ter zake van alimentatie onder eiseres in cassatie, [eiseres], op het door deze vennootschap aan haar voormalige echtgenoot, [betrokkene 1], verschuldigde salaris.
1. Feiten en procesverloop(1)
1.1 [Betrokkene 1], directeur van [eiseres], en [verweerster] zijn op 21 juli 1995 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren.
1.2 [Verweerster] heeft op 12 februari 2002 een verzoek tot echtscheiding ingediend.
1.3 Bij beschikking van 9 april 2002 van de rechtbank Utrecht is bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat [betrokkene 1] een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van [verweerster] van € 907,51 per maand dient te betalen alsmede een bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen van € 453,78 per kind per maand. Deze bijdragen worden hierna gezamenlijk aangeduid met 'alimentatie'.
1.4 [Betrokkene 1] heeft in augustus en september 2002 geen alimentatie betaald.
1.5 [Verweerster] heeft op 30 september 2002 executoriaal derdenbeslag doen leggen onder [eiseres] op het salaris dat laatstgenoemde aan [betrokkene 1] is verschuldigd.
Door het derdenbeslag, dat abusievelijk twee andere tussen partijen gewezen beschikkingen als titel vermeldde, is de achterstand in de betaling van de alimentatie verder opgelopen.
1.6 [Verweerster] heeft op 20 december 2002 opnieuw executoriaal derdenbeslag doen leggen onder [eiseres] op het door deze vennootschap aan [betrokkene 1] verschuldigde salaris.
1.7 In een verklaring derdenbeslag heeft [eiseres] verklaard dat zij aan [betrokkene 1] per maand een salaris van € 5.445,36 is verschuldigd en dat dit salaris maandelijks wordt verrekend met een sedert 1 februari 2001 opeisbare rekening-courantvordering ten bedrage van € 102.470,09.
1.8 Bij brief van 5 februari 2003 heeft de deurwaarder aan [eiseres] doen weten dat het beslag van 30 september 2002 niet meer van kracht is, aangezien het onrechtmatig is gelegd.
1.9 Bij inleidende dagvaarding van 14 februari 2003 heeft [verweerster] [eiseres] in kort geding gedagvaard voor de kantonrechter in de rechtbank te Haarlem (locatie Haarlem) en na vermeerdering en vermindering van eis gevorderd (kort samengevat):
1) te bepalen dat [eiseres] gehouden is tot betaling of afgifte van een bedrag van € 16.058,39 aan door [betrokkene 1] verschuldigde achterstallige alimentatie tot 1 februari 2003, vermeerderd met rente en kosten, en voorts tot betaling of afgifte van een bedrag van € 2.357,34 per maand aan verschuldigde alimentatie vanaf maart 2003;
2) te bepalen dat de loonwaarde van de werkzaamheden van [betrokkene 1] € 20.000,-- per maand bedragen;
3) te bepalen dat [eiseres] de werkelijk door [verweerster] gemaakte proceskosten dient te vergoeden.
1.10 Bij vonnis van 26 maart 2003 heeft de kantonrechter de vordering onder 1 toegewezen tot en met maart 2003, vermeerderd met rente zoals gevorderd. Voor het overige zijn de vorderingen afgewezen en is ten aanzien van de proceskosten bepaald dat iedere partij de eigen kosten draagt.
1.11 [Eiseres] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Amsterdam onder aanvoering van een drietal grieven (I-III).
[verweerster] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en vier grieven (A-D) aangevoerd.
1.12 Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter bij arrest van 24 juli 2003 vernietigd, en opnieuw rechtdoende onder meer bepaald dat [eiseres] gehouden is tot betaling of afgifte van een bedrag van € 2.005,94 per maand vanaf de datum van beslaglegging en [eiseres] veroordeeld in de kosten van het geding in eerste aanleg en van het principaal appel.
1.13 [Eiseres] heeft tijdig(2) cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof.
[Verweerster] heeft verweer gevoerd.
Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.
2. Bespreking van de cassatiemiddelen
2.1 Middel I, dat uit vijf onderdelen (1.1-1.5) bestaat, komt op tegen rechtsoverweging 4.6 van het bestreden arrest, in samenhang met de rechtsoverwegingen 4.5, 4.7-4.8, 4.10-4.11 en de beslissing in rechtsoverweging 5. Deze rechtsoverwegingen luiden als volgt:
"4.5. [Eiseres] wenst de door haar aan [betrokkene 1] verschuldigde salarisbetalingen te verrekenen met haar vordering op [betrokkene 1] uit hoofde van een rekening-courant verhouding.
Anders dan [verweerster] betoogt, is die verrekening in beginsel mogelijk, omdat [betrokkene 1] en [eiseres] wederkerig elkaars schuldenaar en schuldeiser zijn; ten aanzien van [betrokkene 1] kan niet gezegd worden dat hij de vordering en schuld jegens [eiseres] in verschillende hoedanigheden heeft die aan verrekening in de weg staan. Grief A van [verweerster] faalt dan ook.
Voorts staat - anders dan de kantonrechter heeft overwogen - artikel 7:632 BWPro in dit geval ook niet aan deze verrekening in de weg. Weliswaar is de stelling van [eiseres], dat haar vordering uit hoofde van de rekening-courant verhouding een voorschot op het loon betreft (die ingevolge lid 1 onder c van genoemde bepaling verrekend mag worden), niet aannemelijk geworden, maar [eiseres] kan zich in beginsel wel beroepen op een afspraak met [betrokkene 1] uit hoofde waarvan zij in afwijking van artikel 7:632 BWPro bevoegd is tot verrekening; aangezien artikel 632 strektPro ter bescherming van de werknemer, is het uitsluitend aan [betrokkene 1] om eventueel die afspraak op de voet van lid 4 van die bepaling te vernietigen. Nu [betrokkene 1] die vernietiging niet heeft ingeroepen, mag [eiseres] de verrekeningsbevoegdheid ingevolge artikel 6:130 lid 2 BWPro ook aan [verweerster] tegenwerpen (ervan uitgaande dat de afspraak is gemaakt voordat [verweerster] derdenbeslag legde).
In zoverre is grief II van [eiseres] derhalve gegrond, maar gelet op het navolgende kan dat haar niet baten.
4.6. In de stellingen van [verweerster] ligt immers voorts het betoog besloten dat het inroepen van verrekening door [eiseres] jegens [verweerster] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is c.q. onrechtmatig is. Dat betoog treft op de navolgende gronden doel.
Als onvoldoende weersproken is aannemelijk geworden dat [betrokkene 1] niet alleen directeur van [eiseres] is maar ook (indirect, via een andere vennootschap) enig aandeelhouder van [eiseres]. Aldus is er sprake van een nauwe verwevenheid tussen [eiseres] en [betrokkene 1]. Onder die omstandigheden zou in een eventuele bodemprocedure een beroep op vernietiging door [verweerster] van de verrekeningsafspraak tussen [eiseres] en [betrokkene 1] op grond van de Pauliana (artikel 3:45 BWPro) bepaald kansrijk zijn.
Dit brengt mee dat [eiseres] zich in dit kort geding niet met een beroep op die verrekeningsafspraak kan verweren tegen de vordering van [verweerster].
Grief II van [eiseres] heeft dan ook per saldo geen succes.
4.7. In de toelichting op grief III voert [eiseres] terecht aan, dat zij niet tot meer kan worden veroordeeld dan het afdragen van hetgeen blijkens de (in zoverre door de deurwaarder geaccepteerde) verklaring derdenbeslag na aftrek van de beslagvrije voet onder het beslag valt, zijnde € 2.005,94 per maand. In zoverre is de grief gegrond.
Anders dan [eiseres] betoogt doet echter niet terzake dat het loon van [betrokkene 1] over de maand maart 2003 ten tijde van het bestreden vonnis nog niet opeisbaar was. [eiseres] zal vanaf de beslagdatum het onder het beslag vallende bedrag maandelijks aan de deurwaarder moeten afdragen, totdat de achterstallige alimentatieschuld van [betrokkene 1] (vermeerderd met de wettelijke rente is afgelost.
4.8. [Verweerster] betoogt door middel van grief C dat [eiseres] gehouden is ook voor de nog toekomstige alimentatietermijnen bedragen aan haar te voldoen.
Dit betoog is juist.
Op grond van artikel 479e Rv is de derde-beslagene verplicht om, zolang de executant dit verlangt, naar gelang hij loon verschuldigd is het door de executant aangegeven achterstallige bedrag en de termijnen van de uitkering tot welker verhaal het beslag is gelegd, aan de executant te betalen.
Het hof zal dit in het dictum tot uitdrukking brengen.
(...)
4.10. Grief D van [verweerster] is in zoverre gegrond, dat zij als de in eerste aanleg grotendeels in het gelijk gestelde partij moet worden aangemerkt.
[Eiseres] zal derhalve alsnog in de kosten van het geding in eerste aanleg veroordeeld worden. Anders dan [verweerster] bepleit wordt die veroordeling berekend volgens de gebruikelijke maatstaven.
4.11. Conclusie uit al het bovenstaande is, dat in het principaal appèl alleen grief III ten dele succes heeft. Dat betekent dat [eiseres] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal worden verwezen in de kosten van het principaal appèl.
In het incidenteel appèl zijn de grieven C en D gegrond en falen de grieven A en 3. De kosten van het incidenteel appèl zullen gecompenseerd worden, nu partijen daarin over en weer in het ongelijk zijn gesteld.
5. Beslissing
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:
Bepaalt dat [eiseres] gehouden is tot betaling of afgifte van een bedrag van € 2.005,94 per maand vanaf de datum van beslaglegging, zulks op de voet van hetgeen is bepaald in artikel 479e Rv;
Veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in eerste aanleg en van het principaal appèl, tot op heden aan de zijde van [verweerster] begroot op € 508,51 respectievelijk op € 976,43;
Compenseert de kosten van het incidenteel appèl aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
Verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
Wijst het over en weer meer of anders gevorderde af."
2.2 Kern van het middel is het betoog dat het hof buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden omdat in de stellingen van [verweerster] niet besloten ligt dat het inroepen van verrekening door [eiseres] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dan wel onrechtmatig is en [verweerster] zich evenmin op de Pauliana heeft beroepen.
2.3 Het middel faalt.
Het oordeel van het hof dat in de stellingen van [verweerster] het betoog ligt besloten dat het inroepen van verrekening door [eiseres] jegens [verweerster] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dan wel onrechtmatig is, is voorbehouden aan de feitenrechter wiens taak het is de gedingstukken uit te leggen.
2.4 Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk.
Het hof heeft in rechtsoverweging 4.6 geoordeeld dat als onvoldoende weersproken aannemelijk is geworden dat er een nauwe verwevenheid tussen [betrokkene 1] en [eiseres] bestaat. Op deze omstandigheid heeft [verweerster] een beroep gedaan in de processtukken, meer in het bijzonder in haar memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel, onder 10, 19-20 en 30.
2.5 Dat het hof vervolgens aan deze omstandigheid het oordeel verbindt dat een beroep door [verweerster] op vernietiging van de verrekeningsafspraak tussen [betrokkene 1] en [eiseres] in een eventuele bodemprocedure bepaald kansrijk is en dat [eiseres] zich daarom in deze kort gedingprocedure niet bevrijdend op deze verrekeningsafspraak kan beroepen, vloeit voort uit de gehoudenheid van het hof ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen (art. 25 RvPro.).
Daarover klaagt het middel niet en evenmin wordt gesteld dat het oordeel van het hof zou moeten worden aangemerkt als een verrassingsbeslissing.
2.6 Middel II faalt nu het zich baseert op gegrondbevinding van middel I en daarvan geen sprake is.
2.7 Aangezien in deze zaak geen vragen zijn opgeworpen die in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling beantwoording behoeven, kan het cassatieberoep van [eiseres] worden verworpen met toepassing van art. 81 ROPro.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Zie het vonnis van de kantonrechter van 26 maart 2003, p. 1 onder 1-8, waarnaar in het arrest van het hof onder 3 wordt verwezen; zie voorts het bestreden arrest onder 4.1 en 4.2.
2 De cassatiedagvaarding is op 18 september 2003 uitgebracht.