'7. In de grieven IV tot en met VIII komt Horst Sinco op tegen het oordeel van de rechtbank,
- dat [eiser] bij het aangaan van de pachtovereenkomst is afgegaan op de door Horst Sinco verstrekte prognoses (grief IV);
- dat uit de afgelegde getuigenverklaringen valt te concluderen dat in de productie "Verhouding Omzet/Kosten Fastfood Restaurants" genoemde omzet onhaalbaar is (grief V);
- dat Horst Sinco aan [eiser] mededelingen heeft gedaan omtrent de verwachte omzet waarvan zij wist dat deze niet juist waren met het oogmerk om [eiser] er op grond daarvan toe te bewegen met haar te contracteren (grief VI);
- dat door Horst Sinco geen feiten en/of omstandigheden zijn gesteld waaruit het verschil tussen de zogenoemde prognose en de bij Horst Sinco bekende bedrijfsresultaten kan worden verklaard (grief VII);
- dat [eiser] geslaagd is in het leveren van het hem opgedragen bewijs (grief VIII).
Kort samengevat stelt Horst Sinco dat de rechtbank ten onrechte op de reconventionele vordering van [eiser] heeft beslist, dat Horst Sinco [eiser] door bedrog heeft overgehaald tot het sluiten van de pachtovereenkomst, dan wel dat [eiser] bij het aangaan van die overeenkomst heeft gedwaald. Deze grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.
8. In de toelichtingen op de grieven stelt Horst Sinco onder meer het volgende. Horst Sinco heeft [eiser] juiste informatie verstrekt. Aan [eiser] zijn voorafgaand aan het tot stand komen van de pachtovereenkomst omzetgegevens verstrekt van Point Break v.o.f. (gebroeders [betrokkene 1 en 2]) en die van hun voorganger [betrokkene 3], die handelde onder de naam "Snackerie [...]". Horst Sinco legt stukken over uit 1994 van [betrokkene 3], waaruit een bruto-omzet van f 410.679,28 in dat jaar blijkt. Uit de tevens overgelegde gegevens van v.o.f. Point Break over het eerste halfjaar van 1997 blijkt een omzet van f 177.893,-, hetgeen op jaarbasis neerkomt op f 355.786,-. De door [A] vervaardigde en aan [eiser] bij een bespreking op 17 maart 1998 ter hand gestelde prognoseberekeningen komen uit op een jaaromzet van f 325.000,-. Er is geen sprake van het verstrekken van verkeerde informatie. Zij heeft niet het oogmerk gehad om [eiser] te bewegen tot het aangaan van het contract. Door persoonlijk omstandigheden is [eiser] niet in staat geweest de prognose te realiseren. Bovendien is sprake van slechte bedrijfsvoering en beroept [eiser] zich ten onrechte op bedrog en dwaling, aldus Horst Sinco.
9. [Eiser] stelt dat de overeenkomst op 6 april 1998 is gesloten op basis van de hiervoor genoemde prognose. De door hem gerealiseerde omzet bleek veel lager te zijn en de bedrijfsvoering kon niet worden gecontinueerd.
10. Het hof overweegt als volgt.
10.1 Uit de overgelegde stukken blijkt dat de door [A] aan [eiser] verstrekte prognose dat een omzet gerealiseerd zou kunnen worden van f 325.000,- per jaar niet irreëel was en zeker niet in aanzienlijke mate afweek van hetgeen de vorige exploitanten als omzet hebben gerealiseerd. De jaaromzet van [betrokkene 3] in 1994 beliep immers f 410.679,28 inclusief f 21.665,- ontvangsten speelautomaat en f 218,33 bonus sigarettenautomaat, en de omzet over het eerste halfjaar van 1997 van [betrokkene 1 en 2] bedroeg f 177.893,-.
10.2 Ten overstaan van de kantonrechter is [betrokkene 2], een van de vorige exploitanten, als getuige gehoord en hij heeft onder meer verklaard: "Het eerste jaar minus een halve maand hebben we een omzet gedraaid van 260.000 gulden puur uit het snackbar gedeelte, dus exclusief de omzet uit de gokkast." en "Onze omzet is die twee jaar wel gestegen door keihard te werken".
10.3 [Eiser] stelt gezien het vorenstaande ten onrechte dat aan hem onjuiste mededelingen zijn gedaan en zijn beroep op dwaling faalt.
10.4 Op dezelfde grond faalt het beroep op bedrog. Bovendien zijn onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld, waaruit zou kunnen worden afgeleid, dat Horst Sinco kwaad opzet heeft gehad om [eiser] over te halen tot het aangaan van de overeenkomst.
11. Het bovenstaande leidt tot het oordeel, dat de grieven II tot en met VIII slagen, de vonnissen zullen worden vernietigd en de reconventionele vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen. De grieven IX en X hebben geen zelfstandige betekenis en behoeven geen bespreking. Aan het door [eiser] gedane bewijsaanbod gaat het hof voorbij, aangezien dit te vaag en niet relevant is. [Eiser] zal als in het ongelijk gestelde partij in de kosten in beide instanties worden veroordeeld.'