ECLI:NL:PHR:2005:AR6188
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens tussentijds arrest en art. 401a lid 2 Rv
In deze zaak vordert verweerster betaling van een bedrag uit hoofde van een aannemingsovereenkomst. Eiser en diens voormalige echtgenote hebben de onbevoegdheid van de rechtbank ingeroepen op grond van toepasselijkheid van de Algemene Voorwaarden voor Aannemingen in het Bouwbedrijf 1992 (AVA 1992), die arbitrage voorschrijven.
De rechtbank oordeelde dat de AVA 1992 geen deel uitmaken van de overeenkomst en wees de exceptie van onbevoegdheid af. Het hof bevestigde dit oordeel en verwees de hoofdzaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling. Eiser kwam tegen dit tussentijdse arrest in cassatie met drie middelen.
De Hoge Raad stelt vast dat het arrest van het hof een tussentijds arrest betreft en dat ingevolge art. 401a lid 2 Rv beroep in cassatie tegen tussentijdse arresten slechts tegelijk met het eindarrest kan worden ingesteld. Omdat het hof niet anders heeft bepaald en geen uitzonderingen van toepassing zijn, is het cassatieberoep van eiser niet-ontvankelijk.
De Hoge Raad benadrukt dat het oordeel van het hof over de ontvankelijkheid van het hoger beroep tegen het tussenvonnis niet afdoet aan de niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep tegen het tussentijdse arrest. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens strijd met art. 401a lid 2 Rv.