ECLI:NL:PHR:2005:AR6211

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R04/096HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 149 RvArt. 8 EVRMArt. 9 EVRMArt. 10 GrondwetArt. 17 IVBP
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt duurzame ontwrichting als grond voor echtscheiding ondanks godsdienstige bezwaren

Partijen zijn in mei 2000 gehuwd na een langdurige relatie en zijn in oktober 2002 uit elkaar gegaan. De man verzocht in april 2003 de rechtbank om echtscheiding wegens duurzame ontwrichting van het huwelijk. De rechtbank wees dit verzoek toe, waarna de vrouw hoger beroep instelde, maar het hof bevestigde de echtscheiding in mei 2004.

De vrouw kwam tegen deze beschikking in cassatie met het middel dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de duurzame ontwrichting aannemelijk was en dat het uitspreken van de echtscheiding in strijd was met haar godsdienstige overtuiging en haar rechten onder het EVRM, IVBP en de Grondwet.

De Hoge Raad verwierp het middel. Het hof had terecht geoordeeld dat het huwelijk duurzaam was ontwricht, mede gelet op het ontbreken van gemotiveerd verweer van de vrouw. Het hof hoefde de man geen bewijsopdracht te geven. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat de godsdienstige overtuiging van de vrouw geen beletsel vormt voor echtscheiding en dat de genoemde internationale verdragen geen recht op het uitblijven van echtscheiding garanderen.

Hiermee bevestigde de Hoge Raad dat de wettelijke regeling inzake echtscheiding en de jurisprudentie omtrent duurzame ontwrichting prevaleren boven persoonlijke godsdienstige bezwaren, mits de ontwrichting aannemelijk is.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de echtscheiding toewijsbaar is wegens duurzame ontwrichting, ondanks de godsdienstige bezwaren van de vrouw.

Conclusie

Rek.nr. R04/096HR
Mr L. Strikwerda
Parket, 12 nov. 2004
conclusie inzake
[de vrouw]
tegen
[de man]
Edelhoogachtbaar College,
1. De partijen in deze echtscheidingsprocedure, hierna: de vrouw en de man, zijn op 24 mei 2000 te Purmerend met elkaar gehuwd. Voorafgaande aan het huwelijk hebben partijen gedurende ongeveer zes jaren een affectieve relatie gehad. Zij woonden sinds september 1997 samen. Partijen zijn in oktober 2002 uiteengegaan.
2. Bij verzoekschrift van 4 april 2003 heeft de man zich gewend tot de rechtbank te Haarlem en (onder meer) verzocht tussen partijen de echtscheiding uit te spreken op grond van duurzame ontwrichting van het huwelijk.
3. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend, tevens houdende zelfstandige verzoeken. Ten aanzien van de door de man verzochte echtscheiding refereerde de vrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.
4. Bij beschikking van 23 december 2003 heeft de rechtbank het verzoek tot echtscheiding van de man als onweersproken toewijsbaar geoordeeld en de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.
5. De vrouw is van de beschikking van de rechtbank, onder meer voor zover daarbij de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken, in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te Amsterdam. Zij had geen succes. Bij beschikking van 19 mei 2004 heeft het hof de bestreden beschikking van de rechtbank, voor zover daarbij de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken, bekrachtigd. Het hof was van oordeel dat, gelet op de overgelegde stukken alsmede op het over en weer gestelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht (r.o. 4).
6. De vrouw is tegen de beschikking van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met één middel. De man heeft geen verweerschrift in cassatie ingediend.
7. Het middel komt op tegen het oordeel van het hof dat voldoende aannemelijk is geworden dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht en dat de beschikking van de rechtbank in zoverre zal worden bekrachtigd. Daartoe voert het middel aan - kort gezegd - (a) dat het hof op geen enkele wijze heeft gemotiveerd waarom de ontwrichting van het huwelijk van partijen voldoende aannemelijk zou zijn geworden en heeft nagelaten de man te belasten met het bewijs van de duurzame ontwrichting, en voorts (b) dat het hof door het verzoek tot echtscheiding toewijsbaar te oordelen, terwijl echtscheiding onverenigbaar is met de godsdienstige overtuiging van de vrouw, inbreuk heeft gemaakt op de door art. 8 van Pro het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM), art. 17 van Pro het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBP) en art. 10 Grondwet Pro gegarandeerde bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de vrouw, alsmede op de door art. 9 EVRM Pro en art. 10 IVBP Pro gegarandeerde vrijheid van godsdienst van de vrouw.
8. De onder (a) bedoelde klacht faalt.
9. Het hof heeft vastgesteld dat partijen in oktober 2002 uit elkaar zijn gegaan en heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk uit de omstandigheid dat de man ook in hoger beroep heeft volhard bij zijn verzoek tot echtscheiding opgemaakt dat bij de man de bereidheid om de samenleving mat de vrouw te hervatten geheel ontbreekt. Bij deze stand van zaken en in aanmerking genomen dat uit de gedingstukken niet blijkt (het middel noemt ook geen vindplaatsen) dat de vrouw in eerste instantie of in hoger beroep de stelling van de man dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht, uitdrukkelijk en gemotiveerd heeft weersproken, getuigt 's hofs oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht, niet van een onjuiste rechtsopvatting van het begrip duurzame ontwrichting van het huwelijk (vgl. HR 1 februari 1980, NJ 1980, 318; HR 6 december 1996, NJ 1997, 189; HR 12 juli 2002, NJ 2002, 541) en is dat oordeel, ook zonder nadere motivering, niet onbegrijpelijk.
10. Nu het hof heeft kunnen oordelen dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen aannemelijk is geworden, was het hof ingevolge art. 149 Rv Pro bevoegd noch gehouden de man bewijs op te dragen.
11. Ook de onder (b) bedoelde klacht zal niet tot cassatie kunnen leiden.
12. Het (impliciete) oordeel van het hof dat, nu aangenomen moet worden dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht, de geloofsovertuiging van de vrouw niet in de weg staat aan het uitspreken van de echtscheiding tussen partijen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Vgl. HR 12 juli 2002, NJ 2002, 541.
13. Het beroep dat het middel in dit verband doet op art. 8 EVRM Pro faalt. Het artikel garandeert geen echtscheiding (EHRM 18 december 1986, Serie A vol. 112, NJ 1989, 97 nt. EAA), zo min als het echtscheiding uitsluit (EHRM 18 december 1987, Serie A vol. 128, NJ 1989, 99 nt. EAA). Art. 17 IVBP Pro en art. 10 Grondwet Pro bieden geen verdergaande bescherming dan art. 8 EVRM Pro.
14. Ook het beroep op art. 9 en Pro art. 18 IVBP Pro faalt. Voor zover een wettelijke mogelijkheid tot ontbinding van het burgerrechtelijk huwelijk door echtscheiding al gezien kan worden als een inbreuk op de vrijheid van godsdienst van de echtgenoot die zich op grond van godsdienstige opvattingen met echtscheiding niet kan verenigen, wordt deze beperking toegestaan door het tweede lid van art. 9 EVRM Pro en het derde lid van art. 18 IVBP Pro. Het gaat immers om een wettelijke beperking die gerechtvaardigd is door de bescherming van rechten en vrijheden van anderen.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,