ECLI:NL:PHR:2005:AR6211
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt duurzame ontwrichting als grond voor echtscheiding ondanks godsdienstige bezwaren
Partijen zijn in mei 2000 gehuwd na een langdurige relatie en zijn in oktober 2002 uit elkaar gegaan. De man verzocht in april 2003 de rechtbank om echtscheiding wegens duurzame ontwrichting van het huwelijk. De rechtbank wees dit verzoek toe, waarna de vrouw hoger beroep instelde, maar het hof bevestigde de echtscheiding in mei 2004.
De vrouw kwam tegen deze beschikking in cassatie met het middel dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de duurzame ontwrichting aannemelijk was en dat het uitspreken van de echtscheiding in strijd was met haar godsdienstige overtuiging en haar rechten onder het EVRM, IVBP en de Grondwet.
De Hoge Raad verwierp het middel. Het hof had terecht geoordeeld dat het huwelijk duurzaam was ontwricht, mede gelet op het ontbreken van gemotiveerd verweer van de vrouw. Het hof hoefde de man geen bewijsopdracht te geven. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat de godsdienstige overtuiging van de vrouw geen beletsel vormt voor echtscheiding en dat de genoemde internationale verdragen geen recht op het uitblijven van echtscheiding garanderen.
Hiermee bevestigde de Hoge Raad dat de wettelijke regeling inzake echtscheiding en de jurisprudentie omtrent duurzame ontwrichting prevaleren boven persoonlijke godsdienstige bezwaren, mits de ontwrichting aannemelijk is.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de echtscheiding toewijsbaar is wegens duurzame ontwrichting, ondanks de godsdienstige bezwaren van de vrouw.