4.1. In HR 22 september 1954, nr. 11 875, BNB 1954/305, overwoog u als volgt:
"dat in 1948 door den Rijksaccountantsdienst een boeken-onderzoek bij den belastingplichtige over de jaren 1943 tot en met 1945 heeft plaats gehad, waarna tussen den belastingplichtige en den Inspecteur een afspraak werd gemaakt op welke wijze met het oog op de winstberekening de voorraden zouden worden gewaardeerd; dat de oorspronkelijke aanslag voor het jaar 1947 tegen het einde van het jaar 1951 overeenkomstig de aangifte is opgelegd; dat voordien de Inspecteur aan den Rijksaccountantsdients had verzocht om in het kader van de gebruikelijke periodieke controle over een reeks toen verstreken jaren - waaronder het jaar 1947 - een boeken-onderzoek in te stellen; dat ten dage van het opleggen van den oorspronkelijken aanslag gemelde dienst aan den Inspecteur met betrekking tot laatstbedoeld onderzoek nog geen rapport had uitgebracht, doch zich nog met dit onderzoek bezighield;
dat een onderzoek als bovenvermeld in het algemeen ten doel heeft de juistheid van de door belastingplichtigen gedane aangiften te controleren en te dezen in het bijzonder om na te gaan, of die aangiften steunden op een winstberekening uitgevoerd met inachtneming van hetgeen daaromtrent in het verleden tussen partijen was
overeengekomen; dat de Inspecteur, die, zonder den uitslag van dit onderzoek af te wachten, een definitieven aanslag oplegde, daarbij blijkbaar in de mening heeft verkeerd, dat, indien dit door hem verzochte onderzoek feiten aan het licht zou brengen,waaruit zou volgen, dat de opgelegde aanslag te laag was, nog een navorderingsaanslag kon worden opgelegd; dat die mening evenwel niet juist is, daar een navorderingsaanslag, welke den belastingplichtige in het bijzonder met het oog op de mogelijkheid van de verhoging in een nadelige positie kan brengen, slechts mag worden opgelegd, indien deze wordt gerechtvaardigd door nieuwe feiten, dat wil zeggen door feiten, welke bij de aanslagregeling noch aan den inspecteur noch aan de ambtenaren, die hem bij de voorbereiding daarvan bijstaan - waartoe ook de ambtenaren van den Rijksaccountantsdienst behoren -, bekend waren en hun evenmin bekend hadden kunnen zijn; dat de feiten, welke in het onderhavige geval als den navorderingsaanslag rechtvaardigende nieuwe feiten zijn gesteld, den Inspecteur reeds bij het opleggen van den definitieven aanslag bekend hadden kunnen zijn geweest, indien hij de resultaten van het door hem ter controle van de aangifte verzochte accountantsonderzoek had afgewacht, hetgeen hij zonder bezwaren had kunnen en daarom had behoren te doen met het oog op de belangen zowel van de belastingadministratie als van den belastingplichtige, die beiden gediend zijn door een definitieven aanslag, welke met verwerking van zo volledig mogelijke gegevens is opgelegd; dat hierin geen verandering wordt gebracht door de door den Raad vermelde omstandigheid, dat de Inspecteur van oordeel was, dat in verband met de liquiditeitspositie der vennootschap niet langer met het opleggen van een definitieven aanslag kon worden gewacht, aangezien, ook al zou de reeds opgelegde voorlopige aanslag te laag zijn geweest - waaromtrent niets is gesteld -, het opleggen van een naderen voorlopigen aanslag mogelijk geweest zou zijn;"