ECLI:NL:PHR:2005:AR6616
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewijswaarde van kennelijk leugenachtige verklaring in opzethelingzaak camper
In deze zaak stond de vraag centraal of verdachte opzettelijk een gestolen camper heeft geheeld. Het hof baseerde zijn oordeel mede op verklaringen van verdachte die het kennelijk leugenachtig achtte, omdat verdachte verklaarde de camper in mei 2000 te hebben gezien terwijl de camper op 2 juni 2000 was gestolen. De advocaat van verdachte stelde cassatie in tegen deze bewijsconstructie.
De Hoge Raad benadrukte dat een kennelijk leugenachtige verklaring geen zelfstandig bewijsmiddel is, maar slechts een versterking van reeds bestaand bewijs. Het hof moet voldoende andere bewijsmiddelen hebben om een verklaring als kennelijk leugenachtig te bestempelen. In deze zaak bleek uit de verklaringen van verdachte dat hij in mei 2000 een chassis-cabine zonder camperopbouw had gezien, wat niet door andere bewijsmiddelen werd weerlegd.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de verklaringen van verdachte kennelijk leugenachtig zouden zijn. Het oordeel van het hof was niet begrijpelijk, omdat verdachte niet had verklaard de complete camper in mei te hebben gezien, maar slechts het chassis dat later was opgebouwd. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak naar een ander hof voor hernieuwde behandeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor hernieuwde behandeling.