ECLI:NL:PHR:2005:AR7168

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01374/04
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 SvArt. 61 SrArt. 9 SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot geldboete wegens bezit van hasj en hennep met motiveringskwestie over strafoplegging

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een geldboete van vierhonderd euro wegens het bezit van een hoeveelheid hasj en hennep, aangetroffen tijdens een huiszoeking. De advocaat-generaal had ter terechtzitting een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van twee jaar gevorderd. Het hof motiveerde de strafoplegging door de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het werd begaan, en de persoonlijke situatie van de verdachte mee te wegen. Tevens hield het hof rekening met de overschrijding van de redelijke termijn, waardoor het volstond met een geldboete in plaats van een vrijheidsstraf.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof een zwaardere straf had opgelegd dan de A-G had geëist, aangezien een onvoorwaardelijke geldboete zwaarder is dan een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. Volgens artikel 359, zevende lid, Sv, moet de rechter in dat geval de straf nader motiveren. Het hof had dit niet voldoende gedaan, waardoor het arrest werd vernietigd voor zover het de straf betreft. De zaak werd verwezen naar een ander hof voor verdere behandeling.

De conclusie benadrukt dat hoewel de strafoplegging inhoudelijk passend kan zijn, de motiveringsplicht bij strafverzwaring strikt moet worden nageleefd. Er werden geen gronden gevonden voor ambtshalve vernietiging door de Hoge Raad zelf.

Uitkomst: Arrest vernietigd wegens onvoldoende motivering van de zwaardere straf en verwezen naar een ander hof.

Conclusie

Nr.01374/04
Mr. Jörg
Zitting 30 november 2004
Conclusie inzake:
[verzoeker=verdachte]
1. Verzoeker is door het gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 7 november 2003 wegens hasjbezit veroordeeld tot een geldboete van vierhonderd euro.
2. Namens verzoeker heeft mr. S.M. Krans, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel richt zich tegen de strafmotivering. Het hof zou ten onrechte niet gemotiveerd hebben waarom een zwaardere straf is opgelegd dan de advocaat-generaal ter terechtzitting heeft geëist.
4. Blijkens het arrest heeft het hof de straf als volgt gemotiveerd:
"De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte en de draagkracht van de verdachte.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Bij een huiszoeking werd in de woning van de verdachte een hoeveelheid hashish en hennep aangetroffen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een hoeveelheid hashish en hennep. Hashish en hennep zijn voor de volksgezondheid schadelijke stoffen.
Blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister van de Justitiële Documentatiedienst van 19 augustus 2003, is verdachte niet eerder veroordeeld voor een soortgelijk delict.
Het hof heeft bij de op te leggen straf rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid van het EVRM, in die zin dat het hof volstaat met het opleggen van een geldboete in plaats van een op zichzelf passend en geboden (onvoorwaardelijke) vrijheidsstraf."
5. Artikel 359, zevende lid, Sv - voor zover van belang - bepaalt dat de rechter de straf nader moet motiveren indien hij zwaarder straft dan de officier van justitie heeft gevorderd.(1)
6. Ingevolge art. 61 Sr Pro wordt de zwaarte van de verschillende soorten hoofdstraffen door de volgorde daarvan in art. 9 Sr Pro bepaald. Art. 9, eerste lid aanhef onder a, Sr somt achtereenvolgens op: gevangenisstraf, hechtenis, taakstraf en geldboete.
7. In casu heeft het hof derhalve de lichtste hoofdstraf opgelegd waar de zwaarste was geëist.
8. Indien bij ongelijksoortige hoofdstraffen de modaliteit (voorwaardelijk - onvoorwaardelijk) wisselt, komt het vooral aan op vergelijking van de onvoorwaardelijke delen. Bijvoorbeeld, bij een eis van 60 uren taakstraf onvoorwaardelijk gevolgd door een veroordeling tot één maand voorwaardelijke gevangenisstraf is er geen sprake van strafverzwaring. De taakstraf was onvoorwaardelijk opgelegd en de gevangenisstraf voorwaardelijk. Aldus valt te lezen bij Corstens.(2)
9. Een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf is derhalve een lichtere straf dan een onvoorwaardelijke geldboete. Het hof had, nu een onvoorwaardelijke geldboete werd opgelegd, het opleggen van deze zwaardere straf dan geëist in het arrest dienen te motiveren.(3)
Dat wordt - in het licht van de hoogte van de boete - een buitengewoon kostbaar rondje langs een ander hof; maar omdat het recht nu eenmaal zijn loop moet hebben, geloof ik niet dat daaraan te ontkomen valt. Ondanks: de minimis non curat praetor.
10. Het middel slaagt.
11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het arrest voor zover het de opgelegde straf betreft en tot verwijzing naar een aangrenzend hof.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Krachtens art. 415 Sv Pro is artikel 359 Sv Pro tevens van toepassing in hoger beroep.
2 Corstens, handboek, 4e, p. 691 en HR 14 september 1998, NJ 1999, 121.
3 De door het hof opgelegde straf was derhalve vóór de 'redelijke termijn'-korting nog zwaarder dan de advocaat-generaal had geëist. Wat geldt is echter de straf in het dictum: HR 26 oktober 1993, DD 95.355.