ECLI:NL:PHR:2005:AR7168
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling tot geldboete wegens bezit van hasj en hennep met motiveringskwestie over strafoplegging
De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een geldboete van vierhonderd euro wegens het bezit van een hoeveelheid hasj en hennep, aangetroffen tijdens een huiszoeking. De advocaat-generaal had ter terechtzitting een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van twee jaar gevorderd. Het hof motiveerde de strafoplegging door de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het werd begaan, en de persoonlijke situatie van de verdachte mee te wegen. Tevens hield het hof rekening met de overschrijding van de redelijke termijn, waardoor het volstond met een geldboete in plaats van een vrijheidsstraf.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof een zwaardere straf had opgelegd dan de A-G had geëist, aangezien een onvoorwaardelijke geldboete zwaarder is dan een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. Volgens artikel 359, zevende lid, Sv, moet de rechter in dat geval de straf nader motiveren. Het hof had dit niet voldoende gedaan, waardoor het arrest werd vernietigd voor zover het de straf betreft. De zaak werd verwezen naar een ander hof voor verdere behandeling.
De conclusie benadrukt dat hoewel de strafoplegging inhoudelijk passend kan zijn, de motiveringsplicht bij strafverzwaring strikt moet worden nageleefd. Er werden geen gronden gevonden voor ambtshalve vernietiging door de Hoge Raad zelf.
Uitkomst: Arrest vernietigd wegens onvoldoende motivering van de zwaardere straf en verwezen naar een ander hof.