ECLI:NL:PHR:2005:AR7254
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verdachte in hoger beroep wegens te late appèlinstelling
Verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf waarvan twee maanden voorwaardelijk wegens zware mishandeling. Tegen dit vonnis stelde verdachte cassatieberoep in. Een middel van cassatie betrof het ontbreken van een afschrift van de dagvaarding aan de raadsman in hoger beroep, wat volgens verdachte in strijd was met art. 51 Sv Pro.
De Hoge Raad constateerde dat geen bewijs was geleverd dat de raadsman zich rechtsgeldig had gesteld, aangezien een brief van 13 augustus 2001 niet in het dossier aanwezig was en er geen ontvangstbevestiging was. Verder werd vastgesteld dat de dagvaarding voor de politierechter van 2 maart 2001 rechtsgeldig was betekend aan een gemachtigde, waardoor het appèl binnen 14 dagen na die datum had moeten worden ingesteld.
Omdat het appèl pas op 7 mei 2001 werd ingesteld, was het te laat en had het hof verdachte niet-ontvankelijk moeten verklaren. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en verklaarde verdachte alsnog niet-ontvankelijk in hoger beroep. Het cassatieberoep werd verworpen, subsidiair werd het arrest vernietigd wegens niet-ontvankelijkheid.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens te late appèlinstelling.