ECLI:NL:PHR:2005:AR7254

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00508/04
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 51 SvArt. 588 lid 3 sub b SvArt. 434 lid 1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verdachte in hoger beroep wegens te late appèlinstelling

Verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf waarvan twee maanden voorwaardelijk wegens zware mishandeling. Tegen dit vonnis stelde verdachte cassatieberoep in. Een middel van cassatie betrof het ontbreken van een afschrift van de dagvaarding aan de raadsman in hoger beroep, wat volgens verdachte in strijd was met art. 51 Sv Pro.

De Hoge Raad constateerde dat geen bewijs was geleverd dat de raadsman zich rechtsgeldig had gesteld, aangezien een brief van 13 augustus 2001 niet in het dossier aanwezig was en er geen ontvangstbevestiging was. Verder werd vastgesteld dat de dagvaarding voor de politierechter van 2 maart 2001 rechtsgeldig was betekend aan een gemachtigde, waardoor het appèl binnen 14 dagen na die datum had moeten worden ingesteld.

Omdat het appèl pas op 7 mei 2001 werd ingesteld, was het te laat en had het hof verdachte niet-ontvankelijk moeten verklaren. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en verklaarde verdachte alsnog niet-ontvankelijk in hoger beroep. Het cassatieberoep werd verworpen, subsidiair werd het arrest vernietigd wegens niet-ontvankelijkheid.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens te late appèlinstelling.

Conclusie

Nr. 00508/04
Mr Fokkens
Zitting: 30 november 2004
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren wegens "zware mishandeling".
2. Tegen deze uitspraak heeft verdachte cassatieberoep doen instellen.
3. Namens verdachte heeft mr H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte geen afschrift van de dagvaarding in hoger beroep aan de raadsman van de verdachte heeft verzonden, althans er geen blijk van heeft gegeven te hebben onderzocht of art. 51 Sv Pro is nageleefd.
5. De procesgang in hoger beroep is, voorzover van belang voor de beoordeling van het middel, als volgt geweest:
(i) de dagvaarding voor de terechtzitting van 24 april 2003 is op 10 april 2003 uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank te Amsterdam nadat op 19 maart 2003 tevergeefs was getracht deze aan verdachtes GBA-adres uit te reiken en deze vervolgens op 27 maart 2003 was teruggezonden aan de afzender;
(ii) de verdachte is niet ter terechtzitting verschenen alwaar het Hof op vordering van de A-G tegen de verdachte verstek heeft verleend en heeft bevolen dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
6. De aan de Hoge Raad toegezonden stukken houden niets in waaruit kan volgen dat een afschrift van de dagvaarding voor de terechtzitting van 24 april 2003 aan een voor de verdachte optredende raadsman is verzonden. Het moet er daarom voor worden gehouden dat dat niet is gebeurd.
7. Ter ondersteuning van de stelling dat in hoger beroep art. 51 Sv Pro niet is nageleefd, vermeldt de toelichting op het middel dat mr G. Lieffijn zich bij brief van 13 augustus 2001 aan de griffier van het Hof als raadsman heeft gesteld. Een kopie van die brief is aan de schriftuur gehecht.
8. Anders dan in HR 23 juni 1998, NJ 1998, 772, HR 9 januari 2001, LJN ZD2231 en HR 29 juni 2004, LJN AO9559 is bij de cassatieschriftuur geen schrijven van de griffier van het Hof overgelegd waarin de ontvangst van voormelde brief is bevestigd. De brief bevindt zich niet bij de ingevolge art. 434 lid 1 Sv Pro door de griffier van het Hof aan de griffier van de Hoge Raad gezonden stukken. Navraag bij het Hof heeft opgeleverd dat geen stelbrief in de daar aanwezige stukken is aangetroffen.
9. Ook overigens bevinden zich geen stukken in het dossier die voldoende grond bieden voor het ernstige vermoeden dat de stelbrief wel ter griffie van het Hof is ontvangen maar daar in het ongerede is geraakt, zoals in HR 10 februari 2004, LJN AO6294, noch zijn andere - in deze relevante - stukken aan de schriftuur gehecht zoals in HR 22 juni 2004, LJN AO8811.
10. Nu een ontvangstbevestiging als in 8 bedoeld niet is overgelegd en ook anderszins aanwijzingen voor het tegendeel als in 9 bedoeld ontbreken, moet het er voor worden gehouden dat de in cassatie overgelegde brief niet aanwezig was in het dossier dat het Hof ter beschikking stond bij de behandeling van deze zaak in hoger beroep, terwijl onvoldoende grond bestaat voor het ernstige vermoeden dat voormelde brief van 13 augustus 2001 ter griffie van het Hof is ontvangen en vervolgens in het ongerede is geraakt. Dat brengt mee dat het uitgangspunt van het middel dat mr. Lieffijn zich door middel van een schriftelijke kennisgeving als raadsman had gesteld ongegrond is, vgl. HR 25 februari 2003, LJN AF3097 en HR 12 oktober 2004, 00557/04 LJN AQ8773.
11. Het middel treft dan ook geen doel.
12. Volledigheidshalve merk ik op dat de inleidende dagvaarding voor de zitting van de politierechter van 2 maart 2001 op 25 januari 2001 is uitgereikt aan een schriftelijk gemachtigde. Een dergelijke uitreiking geldt als een betekening in persoon (art. 588, lid 3, sub b Sv). Verdachte had dus binnen 14 dagen na 2 maart hoger beroep moeten instellen. Hij heeft dat echter pas op 7 mei 2001 gedaan, zodat het Hof hem niet-ontvankelijk had moeten verklaren in zijn hoger beroep. In aanmerking genomen de ongelukkige gang van zaken ten aanzien van de stelbrief van de raadsman (aannemelijk is dat daarmee iets mis is gegaan, alleen is niet duidelijk waar), zou de Hoge Raad, nu in hoger beroep een zwaardere straf is opgelegd dan in eerste aanleg, ambtshalve het bestreden arrest kunnen vernietigen en verdachte alsnog niet-ontvankelijk kunnen verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep, HR 14 april 1998, NJ 1998, 630 en A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, 2004, p. 147.
13. Ik concludeer dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen, subsidiair dat de Hoge Raad het arrest van het Hof zal vernietigen en verdachte alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
plv.