ECLI:NL:PHR:2005:AR7349
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing aansprakelijkheid bank voor vermogensverlies beleggers
Het echtpaar heeft in 1998 een bedrag van 900.000 gulden belegd bij de bank met het doel een rendement van 6% per jaar te behalen. Tijdens een gesprek op 9 februari 1998 werd dit rendement besproken en werd een voorzichtige beleggingsstrategie gewenst. De zoon van het echtpaar kreeg een volmacht om hen te vertegenwoordigen bij de bank.
De bank voerde vanaf februari 1998 optietransacties uit namens het echtpaar, waaronder het schrijven van put-opties. Vanaf september 1998 leed het echtpaar vermogensverlies en stelde de bank aansprakelijk wegens tekortschieten in haar zorgplicht en het niet naleven van de afgesproken beleggingsstrategie.
De rechtbank wees de vordering af, en het hof bevestigde dit na bewijsopdrachten en getuigenverhoor. Het echtpaar kwam niet tot bewijs van een gegarandeerd rendement of causale relatie tussen het handelen van de bank en het verlies.
De Hoge Raad oordeelt dat het cassatieberoep geen grond heeft omdat het oordeel van het hof dat het echtpaar geen bewijs heeft geleverd voor de gestelde schade en het causale verband, niet wordt bestreden en zelfstandig tot afwijzing leidt. Het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van het echtpaar wordt verworpen en de bank is niet aansprakelijk voor het vermogensverlies.