ECLI:NL:PHR:2005:AR7351
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toepassing Duits huwelijksvermogensrecht bij echtscheiding met verdeling Zugewinngemeinschaft
Partijen, gehuwd in 1975 onder Duits huwelijksvermogensrecht (Zugewinngemeinschaft), zijn gescheiden na een verzoek van de vrouw in 2000. De rechtbank sprak de echtscheiding uit in 2001 en beval de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. De man ging in hoger beroep tegen de beschikking, waarbij het hof in 2003 de verdeling van de gemeenschap opnieuw bepaalde en de man veroordeelde tot betaling van een bedrag aan de vrouw.
De man stelde acht middelen in cassatie tegen de tussenbeschikkingen en eindbeschikking van het hof, waarvan enkele gericht waren tegen de procesrechtelijke behandeling en de vaststelling van peildata en vermogensbestanddelen. De vrouw trad niet op in cassatie.
De Hoge Raad verklaarde het beroep niet-ontvankelijk voor zover het gericht was tegen bepaalde tussenbeschikkingen en verwierp de overige middelen. De Raad oordeelde onder meer dat het hof bevoegd was termijnen te stellen, dat de peildatum van 8 oktober 2001 terecht werd gehanteerd, en dat het hof terecht de stellingen en bewijsvoering van partijen heeft beoordeeld. De uitleg van het hof over de waardering van de inboedel en de interpretatie van verzoeken waren feitelijke oordelen die niet in cassatie konden worden getoetst.
De Hoge Raad bevestigde daarmee de rechtmatigheid van de door het hof getroffen verdeling en afrekening van de huwelijksgoederengemeenschap onder Duits recht.
Uitkomst: Het cassatieberoep is deels niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige verworpen, waarmee het hofarrest in stand blijft.