ECLI:NL:PHR:2005:AR7438
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt oordeel hof over alimentatie en verdiencapaciteit vrouw
De zaak betreft een alimentatiegeschil tussen een man en een vrouw die in 1977 zijn gehuwd en in 1996 zijn gescheiden. De vrouw had afstand gedaan van partneralimentatie, maar stelde later dat deze afstand nietig was wegens een geestelijke stoornis ten tijde van de verklaring. De rechtbank en het hof stelden vast dat de vrouw niet gebonden was aan de afstandsverklaring en veroordeelden de man tot betaling van een bijdrage in haar levensonderhoud.
De man stelde in hoger beroep en cassatie onder meer dat de vrouw aanspraak had op een AAW/WAZ-uitkering en dat het hof ten onrechte niet had aangenomen dat zij daardoor gedeeltelijk in eigen levensonderhoud kon voorzien. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht rekening hield met de onzekerheid over de toekenning van de uitkering en dat het hof niet verplicht was vooruit te lopen op een onzekere toekomstige omstandigheid.
Ook de klacht dat het hof de man niet had toegelaten bewijs te leveren over de inspanningen van de vrouw om de uitkering te verkrijgen, werd verworpen. De Hoge Raad bevestigde dat het hof een redelijke en begrijpelijke afweging had gemaakt en wees het cassatieberoep af.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en het oordeel van het hof over de alimentatieplicht en verdiencapaciteit van de vrouw blijft gehandhaafd.