1 Zie Kamerstukken II, 1958-59, 4034, nr. 3, p. 10-14 en nr. 5, p. 5.
2 Vgl. M.M. Beije, Onttrekking aan het verkeer, Wolters-Noordhoff Groningen 1994, (diss.), p. 145-151 en zie aant. 1 op art. 36c NLR.
3 Beije a.w., p. 161-162.
4 Beije a.w., p. 149.
5 Beije a.w., p. 151.
6 Beije a.w., p. 165.
7 Op dat oordeel van het OM valt op zichzelf gelet op de aanvangsdatum van de redelijke termijn (de inbeslagneming vond plaats op 18 december 2000) en de sepotdatum (3 februari 2004) heel wat af te dingen gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad die onder meer inhoudt dat overschrijding van de redelijke termijn slechts in zeer uitzonderlijke gevallen tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging kan leiden (vgl. HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, m.nt. JdH voor gewone strafzaken en voor ontnemingszaken HR 9 januari 2001, NJ 2001, 307). In een aantal recente arresten in ontnemingszaken heeft de Hoge Raad dit uitgangspunt nog eens benadrukt (vgl. HR 2 november 2004, LJN AR2439 en HR 28 september 2004, LJN AQ4239). Het was echter niet aan de rechter om zich aan dát (onjuiste) oordeel van het OM niet gebonden te achten.
8 In de niet gepubliceerde rov. 7.2 van HR 2 maart 1993, NJ 1993, 672, DD 93.330 zou geacht kunnen worden besloten te liggen dat ook de Hoge Raad van oordeel is dat de onttrekking aan het verkeer van geld op zichzelf niet uitgesloten is. De Hoge Raad overwoog: "Het op de waarde van het bij de overval gestolen geld gebaseerde oordeel van het Hof dat het door de verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel op een vierde deel van f 64.000,- geschat kan worden, is niet in strijd met 's Hofs last tot teruggave van de bij de verdachte inbeslaggenomen bankbiljetten met een gezamenlijke waarde van f 16.900,- ten aanzien waarvan het Hof kennelijk niet heeft kunnen vaststellen dat deze in aanmerking kwamen voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer." A-G Leijten is in zijn conclusie voor dit arrest over dit laatste punt duidelijker: "Dat de concrete bankbiljetten in dit geval ongeveer een zelfde waarde vertegenwoordigen als het geschatte voordeel, betekent niet dat die bankbiljetten "dus" dat voordeel zijn."
In HR 6 maart 1973, NJ 1973, 240 vernietigde de Hoge Raad een arrest van het hof 's-Gravenhage voor zover - bij een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een dubbelloops jachtgeweer en jachtpatronen -daarbij de onttrekking was bevolen van de opbrengst van de verkoop van het door de verbalisanten bij de aanhouding aangetroffen en in beslag genomen wild "aangezien niet kan worden gezegd dat met betrekking daartoe (dus de opbrengst bij de verkoop van wild dat met een illegaal geweer is geschoten, NJ) de feiten zijn begaan noch dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet."
9 Beije a.w., p. 175, waar hij het heeft over de opbrengst van een strafbaar feit in het kader van de bespreking van art. 36c onder 1°, Sr.
10 Vgl. Kamerstukken II, 1999-2000, nr. 3 (MvT).
11 Zie voor een kritische beschouwing van deze wetgeving onder anderen E.A.M. Verheijen & L. Stevens, Nationale waardenoriëntatie in strafrechtelijk Europa, Over Europeanisering van materieel strafrecht en zijn strafprocessuele context, de Nederlandse witwasregeling en de ondergraving van strafrechtelijke beginselen, in: Glijdende schalen, Liber amicorum J. de Hullu, Wolf Legal Publishers 2003, p. 575-590.
12 Zie op het punt van de verdedigingsrechten bijv. EHRM 28 oktober 2003, NJ 2004, 261 (Baars).
13 Zie in dit verband: EHRM Phillips v. United Kingdom, Appl. no. 41087/98, rov. 48-54.
14 Y. Haeck, Het eerste protocol, Artikel 1. Recht op bescherming van eigendom, in: Handboek EVRM, Deel 2, Vol. II; Intersentia Antwerpen-Oxford 2004, p. 364.
15 Op dit punt wijs ik met name op de jurisprudentie van het EHRM inzake legitieme verwachtingen bij commerciële activiteiten: betrokkenen behoren zich rekenschap te geven van de risico's die onvermijdelijk gepaard gaan met die activiteiten: zie de in noot 361 bij Haeck vermelde rechtspraak.
16 Vgl. Haeck, a.w., p. 365-374.
17 Aardig voorbeeld: HR 19 januari 1993, NJ 1993, 491 zette de trend om in enkele andere strafbepalingen (dan heling) die als bestanddeel "wetende dat" bevatten ook voorwaardelijk opzet in te (gaan) lezen.
18 Vgl. in ander verband EHRM 8 februari 1996, NJ 1996, 725 (Murray).
19 NRC Handelsblad van 30 november 2004.