1 Gerechtshof te 's-Gravenhage 23 december 2003, nr. BK-01/02932, zonder commentaar gepubliceerd in V-N 2004/30.1.7 en met commentaar van Van Vierzen-De Boer gepubliceerd in NTFR 2004/970.
2 De optie-overeenkomst behoort niet tot de stukken van het geding. Ter zitting van 14 mei 2003 heeft belanghebbende een verklaring van L (directeur van M N.V.) d.d. 14 juli 1998, opgesteld in het kader van de bezwaarschriftprocedure, overgelegd. Hierin verklaart deze onder meer het volgende:
"(...) De door u bedoelde optie-overeenkomsten zijn op 6 oktober 1993 tot stand gekomen. (...) Medio 1993 zijn wij door X, algemeen directeur van de A N.V. en tevens bestuurder van de onderneming F, benaderd met de vraag of er bij ons of in onze relatiekring mogelijk interesse bestond voor een pakket aandelen in een Belgische "high-tech" onderneming. Wij traden in die tijd onder meer op al[s] bestuurders van D N.V. Deze laatste bleek geinteresseerd te zijn en na de nodige informaties te hebben ontvangen, besloot D N.V. tot de koop. Voor deze transaktie werd gebruik gemaakt van de inmiddels aangekochte vennootschap C. Dit heeft geresulteerd in de reeds genoemde optie-overeenkomsten. In het voorjaar van 1994 hebben wij via X vernomen dat er een zgn. Private Placement zou plaatsvinden; de hierbij gehanteerde condities waren voor D/C aantrekkelijk, reden waarom wij X als bestuurder van F hebben verzocht na te gaan of ook het pakket waarop D/C een optie had, in voormelde Private Placement kon worden ingebracht. Dit bleek het geval te zijn, waarop namens D/C werd besloten tot het uitoefenen van de opties teneinde het daarmee verkregen pakket te verkopen in samenhang met het genoemde Private Placement. Wij hebben daarop de verdere verkooptransaktie geregeld en de betaling aan de verkoper gedaan. (...)."
Uit de stukken van het geding blijkt niet of de optie overdraagbaar was. Uit de onderdelen 12, 14 en 16 van de brief van belanghebbende van 6 februari 2003 blijkt impliciet dat er geen tegenprestatie door A was bedongen voor de verkrijging van de optie door C.
3 Opbrengst verkoop aandelen A ƒ 11.975.557 minus de waarde van de optie ad ƒ 6.805.687, minus de uitoefenprijs van de optie ad ƒ 2.391.187, en minus de kosten ad ƒ 759.476.
4 Uit de stukken van het geding is niet af te leiden of aan belanghebbende het normale uitstel is verleend voor het doen van aangifte.
5 HR 29 november 2002, nr. C01/096HR, NJ 2003/455.
6 Bij arrest van 15 juni 2004, nr. C0300973/HR, LJN AQ5636 heeft het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch belanghebbende veroordeeld om aan A te betalen de tegenwaarde van Bfr. 161.190.000 in euro's tegen de hoogste koers geldend op de dag der betaling, te vermeerderen met de wettelijke rente over Bfr. 41.385.000 vanaf 7 maart 1994 tot aan de dag der algehele voldoening en over Bfr. 119.805.000 vanaf 19 april 1994 tot aan de dag der algehele voldoening.
7 In zijn arrest van 24 juni 1992, nr. 28156, BNB 1993/19, m.nt. Van Brunschot, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat, nu het geheel van handelingen dat het misdrijf van verduistering oplevert, voor de toepassing van artikel 22, eerste lid, letter b, van de Wet een onder bereik van die bepaling vallende, in het economische verkeer verrichte werkzaamheid vormt, het daaruit genoten voordeel behoort tot de in artikel 22, eerste lid, aanhef en letter b, van de Wet bedoelde voordelen. De Hoge Raad heeft voorts geoordeeld dat de omstandigheid dat belanghebbende in beginsel verplicht is tot vergoeding van de verduisterde gelden aan zijn werkgeefster niet wegneemt dat hij dit voordeel heeft genoten toen hij het geld verduisterde, en dat, wanneer de werkgeefster afziet van een vergoeding voor de verduisterde gelden, dit niet (opnieuw) tot heffing van inkomstenbelasting zal mogen leiden. Dit oordeel is herhaald in HR 10 maart 1999, nr. 33840, BNB 1999/209, m.nt. P.J. Wattel.
8 Dit is vaste jurisprudentie. Zie Fiscale Encyclopedie de Vakstudie Wet IB 1964 (versie 2004.10), artikel 33, aantekening 176, en zie met name ook HR 29 september 1999, nr. 34533, BNB 2000/341, m.nt. Rijkers.
9 Anders dan in de casus die wordt behandeld in de conclusie van A-G van Ballegooijen van 2 juli 2004, nr. 40213, is belanghebbende geen directeur/enig aandeelhouder van A, zodat in dit geval het voordeel niet kan worden aangemerkt als inkomsten uit vermogen.
10 Vgl. R.M. Freudenthal, Resultaat uit overige werkzaamheden, FM 103, blz. 81/82, die stelt dat met het voorzienbaar zijn van een voordeel niet mag worden verward het feit dat een voordeel reeds in een afzonderlijk vermogensrecht ligt besloten op het moment waarop belastingplichtige het vermogensbestanddeel waarop dat vermogensrecht betrekking heeft, verwerft of aanwendt. Naar zijn mening kan resultaat uit overige werkzaamheden alleen dan nog aan de orde komen indien de verkrijging van de optie zelve voorzienbaar voordelig was, gericht was op voordeelrealisatie, en niet plaatsvond vanuit de persoonlijke sfeer. Het in de verkregen optie ten tijde van de omwisseling aanwezige voordeel behoort naar zijn mening niet thuis in de werkzaamheid. Zie voorts ook Fiscale Encyclopedie de Vakstudie Wet IB 1964 (versie 2004.10), artikel 33, aantekeningen 148 en 168. Zie voorts J.E.A.M. van Dijck, Het genieten van inkomsten, Fiscale brochures IB, 4e druk 1998, blz. 150, die opmerkt dat uit de jurisprudentie volgt dat de Hoge Raad aanneemt dat in het geval dat een werkgever een goed afstaat tegen een te lage prijs het voordeel niet op het moment van levering van het goed ontstaat maar op het moment van het sluiten van de obligatoire overeenkomst.
11 Zie onderdeel 5.5 van mijn conclusie van 24 november 2003 in de zaak met nr. 39358. Voor een meer uitgebreide civielrechtelijke beschouwing zie onderdeel 5 van die conclusie.
12 Zie pagina 2 van de reactie van de Inspecteur d.d. 3 december 2002 op de pleitnota van belanghebbende van 16 oktober 2002.
13 Vgl. Asser-van der Grinten-Maeijer 2-II, achtste druk, Deventer 1997, blz. 87-91.
14 Vgl. Asser-Hartkamp 4-II, elfde druk, Deventer 2001, blz. 160-208.
15 Vgl. Asser-Hartkamp 4-II, elfde druk, Deventer 2001, blz. 237-267.
16 Asser-Hartkamp 4-II, elfde druk, Deventer 2001, blz 297.
17 Asser-Hartkamp 4-II, elfde druk, Deventer 2001, blz. 305. Zie ook M.A.J.G. Janssen en M.M. van Rossum, Geen wilsgebreken of wilsontbreken, wel derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (HR 26 september 2003, NJ 2004, 21), WPNR 04/6594, blz. 807 e.v., waarin wordt geconcludeerd dat het moeilijk is een strikte scheiding aan te brengen tussen de precontractuele, de contractuele en de postcontractuele fasen en de werking van de redelijkheid en billijkheid daarbinnen, en waarin voorts wordt gewezen op de belangrijke rol van de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid in het verbintenissenrecht. Uit het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2003, NJ 2004, 21, volgt naar de mening van de auteurs dat deze onder bepaalde omstandigheden het gewenste resultaat blijkt te kunnen opleveren in die gevallen dat andere argumenten niet dan wel onvoldoende voorhanden zijn.
18 Asser-Hartkamp 4-II, elfde druk, Deventer 2001, blz. 311/312.
19 Asser-Hartkamp 4-II, elfde druk, Deventer 2001, blz. 313/314; zie voor recente jurisprudentie ook Mon. Nieuw BW A-5 (Rijken), blz. 30 e.v.
20 De redactie van Vakstudie-Nieuws, V-N 2004/26.12, merkt bij dit arrest op dat de Hoge Raad, door zelf de feiten te waarderen, hier toch wel erg op de stoel van de feitenrechter lijkt te gaan zitten. A.O. Lubbers, Belastingarresten lezen en analyseren, blz. 97 e.v., merkt op dat de noodzaak om op feitelijke punten in te grijpen ongetwijfeld minder zal worden als de tweede feitelijke instantie in belastingzaken eenmaal is ingevoerd.
21 In de onderhavige zaak is een dergelijke ingreep in de feiten mijns inziens gerechtvaardigd omdat de Inspecteur voor het Hof daarvoor het nodige heeft gesteld (zie 2.3), en het Hof deze stellingen niet heeft behandeld. Mijn inziens wordt hiermee ook voldaan aan de eisen die in de literatuur aan conversie worden gesteld.
Ch.J. Langereis heeft in zijn oratie van 16 oktober 1987, Fiscale werkelijkheid, blz. 16 e.v. aandacht besteed aan de fiscaalrechtelijke kwalificatie. Hij stelt op blz. 20/21 onder meer het volgende: "Waar het in deze gevallen om gaat, is dat de rechter voor de toepassing van het belastingrecht bepaalde (rechts)handelingen anders (...) kwalificeert dan partijen bewust of onbewust hebben voorgestaan. In feite zou men hier van omvorming of conversie kunnen spreken: de rechter converteert een of meer (rechts)handelingen ofwel in een andere (...) ofwel in niets. (...). Naar ik meen moet de rechter uitsluitend dan tot fiscale omvorming overgaan indien een feitelijke handeling of een rechtshandeling, gezien de maatschappelijke werkelijkheid en gelet op de strekking van de wet, noodzakelijk is."
Ch.P.A.Geppaert, Fiscale rechtsvinding als voorwerp van onderzoek, AA 34 (1985) 12, stelt op blz. 692 onder meer: "een methodologisch verantwoorde toepassing van het belastingrecht [vraagt] om een eigen fiscaalrechtelijke qualificatie; subsumptie onder een fiscaalrechtelijke regel dient in beginsel te geschieden met behulp van de werkelijke feitelijke - niet apriori civielrechtelijk gekleurde - grondslag."
R.L.H. IJzerman, Het leerstuk van de wetsontduiking in het belastingrecht, FM 54, Deventer 1991, stelt op blz. 82 dat het doel van de fiscale kwalificatie is om rechtstreeks te komen tot een vaststelling van de feiten welke ten grondslag moeten worden gelegd aan de belastingheffing. Een voorlopige kwalificatie conform de civielrechtelijke kwalificatie kan in dat kader slechts functioneren als een interne tussenstap zonder zelfstandige betekenis voor het eindresultaat.
22 Uitgaande van de door het Hof gehanteerde koers van 0,0545.