ECLI:NL:PHR:2005:AR7774
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Belastingrechtelijke kwalificatie van voordeel uit onzakelijke optie en aandelenverkoop
Belanghebbende was directeur van A N.V. en economisch aandeelhouder van E Inc., welke via D N.V. betrokken was bij de Amerikaanse vennootschap C Inc. A verkocht haar aandelen in F N.V. via een complexe constructie waarbij C een optie kreeg om aandelen tegen een onzakelijk lage prijs te kopen. Belanghebbende verleende deze optie zonder vereiste toestemming en verwerkte de verkoop met valse facturen.
De transacties leidden tot een aanzienlijk financieel voordeel, dat via C en andere vennootschappen op de privé-bankrekening van belanghebbende werd gestort. De Belastingdienst stelde dat dit voordeel als inkomsten uit arbeid moest worden belast, terwijl belanghebbende betoogde dat een deel informele kapitaalstorting was en slechts het resterende deel winst was.
Het Hof oordeelde dat het gehele voordeel als inkomsten uit vermogen moest worden belast, maar de Hoge Raad stelde vast dat de optie slechts een voorbereidingshandeling was voor verduistering en dat het voordeel in 1994 als inkomsten uit arbeid moest worden belast. De Hoge Raad verwierp het beroep in cassatie en bevestigde de belastingaanslag.
De zaak illustreert de fiscale kwalificatie van voordelen uit onzakelijke transacties en het belang van de werkelijke economische inhoud boven de formele contractuele vorm.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het belastbare inkomen wordt vastgesteld op ƒ 7.850.481 in 1994.