1 Ontleend aan rov. 4.1 van het in cassatie bestreden arrest en rov. 1 van het in de eerste aanleg gewezen vonnis.
2 De huurverhouding is neergelegd in een reeks bij elkaar aansluitende schriftelijke vastleggingen van elkaar opvolgende overeenkomsten, waarbij [eiser] gaandeweg steeds meer van het desbetreffende object in huur kreeg, en de huurvoorwaarden werden aangepast. Een bijzonderheid die ik het vermelden waard vind is deze, dat de huurovereenkomst voor een meer dan gewoonlijk lange duur geldt: dertig jaar, gerekend vanaf 1 januari 1990, met een verlengingsoptie voor een additionele 10 jaar (zie bijvoorbeeld prod. 4 bij de akte overlegging producties in eerste aanleg (van 2 januari 2001), art. 4).
3 Het gaat daarbij vooral om twee kamers die zich rechts van de hoofdingang van het perceel [a-straat 1] (beganegronds) bevinden. Een situatieschets is o.a. als prod. 2 bij de memorie van grieven overgelegd. "Studio 270" is daarop met nr. 6 aangegeven.
4 Partijen hebben een aanzienlijk aantal min of meer equivalente aanduidingen gebruikt, maar ik meen met de aanduiding "schoonheidssalon" een "faire" benadering te geven van wat althans [verweerster] beoogde te stellen.
5 [Verweerster] heeft ook andere bezwaren tegen [eiser]' huurderschap aangevoerd; deze zijn in cassatie niet meer aan de orde. Ik laat ze bij de bespreking van de feiten daarom buiten beschouwing.
6 Ik teken daarbij aan dat het geschil zich concentreerde op de stelling (van [verweerster]) dat met betrekking tot "Studio 270" sprake zou zijn van gebruik in strijd met de krachtens de huurovereenkomst geldende bestemming; zodat (ook) een bewijsaanbod dat juist op dit onderdeel van het gehuurde zag, terzake dienend kon zijn.
7 Zie bijvoorbeeld HR 11 juni 2004, rechtspraak.nl LJN nr. AO 6212, rov. 3.3.
8 HR 9 juli 2004, RvdW 2004, 94, rov. 3.6.
9 Zie het in voetnoot 7 aangehaalde voorbeeld. In bepaalde, uitgesproken gevallen kunnen wel zekere eisen aan de duidelijkheid en bepaaldheid van het aanbod van tegenbewijs in appel worden gesteld, zie bijvoorbeeld HR 14 november 2003, RvdW 2003, 178, rov. 3.5.2 en 3.5.3. Van een dergelijk geval was hier echter geen sprake.
10 De regel berust allicht op de gedachte dat het niet wenselijk, en bovendien lang niet altijd mogelijk is dat partijen (potentiële) getuigen over hun wetenschap omtrent het probandum "uithoren" (niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat het een getuige uit het kamp van de wederpartij betreft, die niet bereid is informatie op vrijwillige basis te verstrekken); en dat daarom aanvaard moet worden dat een partij bewijs door getuigen aanbiedt zonder zich ervan vergewist te (kunnen) hebben, wat de genoemde getuigen vermoedelijk zullen verklaren.
11 Zie bijvoorbeeld de in voetnoot 8 genoemde vindplaats.
12 Ik maak mij er vanzelfsprekend geen illusies over dat partijen daar waar zij die mogelijkheid hebben, potentiële getuigen wèl zullen "uithoren", om van verdergaande beïnvloeding nog maar te zwijgen. De mens is, zo wordt ons geleerd, tot het slechte geneigd, en bovendien is het hier bedoelde gedrag, hoewel misschien niet wenselijk, in het algemeen niet verboden (zie in dit verband bijvoorbeeld Regel 16 van de Gedragsregels voor advocaten, Schuurman & Jordens editie 39, 2003, p. 412). Dat neemt niet weg dat de regels van procesrecht dat gedrag niet behoren aan te moedigen (laat staan: daartoe noodzaken, op straffe van voorbijgaan aan het desbetreffende gegeven).
13 Ik doel hier op de omschrijvingen die op de vierde en vijfde bladzij van de memorie van grieven in verband met [betrokkene 2] en [betrokkene 3] worden gebruikt.
14 Middelonderdeel 3.2 verwijst in dit verband naar de vijfde tot en met negende bladzijden van de memorie van grieven. De vijfde tot en met zevende bladzijden van die memorie bevatten echter niets wat voor de hier bedoelde vraag terzake doet. Dat is alleen het geval op de achtste bladzijde (onderste helft) en de negende bladzijde. Daar wordt inderdaad gemotiveerd betwist dat [betrokkene 1] ter plaatse een "eigen" bedrijf zou hebben gevoerd, en wordt een - summier aangestipt - bewijsaanbod gedaan.
15 Prod. 10 en 11 bij de conclusie van repliek in eerste aanleg.