1 Ik verwijs naar de eveneens heden genomen conclusie van mijn ambtgenoot Spier in eenzelfde kwestie.
2 Zie de beslissing van de Raad van Toezicht der Orde van Advocaten Utrecht van 28 januari 2003.
3 Het betreft werkzaamheden die betrekking hadden op uit de echtscheiding van [verweerder] voortvloeiende kwesties. Daarnaast heeft [verzoekster] werkzaamheden verricht voor het bedrijf van [verweerder], Block Utrecht B.V. Laatstgenoemde was partij in de procedure bij de Raad van Toezicht en in de rechtbankprocedure. In die procedures dient onder [verweerder] tevens te worden begrepen Block Utrecht B.V.
4 Dit bedrag is inclusief de werkzaamheden waarvoor een vaste prijs was afgesproken voor zoveel de vaste prijsafspraak eventueel in rechte niet komt vast te staan, met uitzondering van het niet overgelegde dossier waarvoor een vaste prijsafspraak zou zijn gemaakt (Rechtbank Utrecht 122292/KG ZA 00-1078). De Raad heeft in die zaak niet kunnen beoordelen of de tijd die voor de werkzaamheden is opgevoerd redelijk is (zie p. 6 van de begrotingsbeslissing van de Raad).
5 Zie de beschikking van de voorzieningenrechter in de rechtbank Utrecht van 11 februari 2004. In het A-dossier bevindt zich uitsluitend een verzoek dat is gedateerd 24 februari 2004.
6 [Verzoekster] heeft tevens beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht betreffende de daar aanhangige zaken. Op 24 juni 2003 heeft de rechtbank Dordrecht de begrotingsbeslissing van de Raad bekrachtigd. De beslissing van de rechtbank bevindt zich bij de stukken in het A-dossier die zijn ingediend bij het verweerschrift van [verweerder] van 21 november 2003.
7 Zie rov. 1.4 van de bestreden beschikking. Deze brief bevindt zich in geen van beide procesdossiers.
8 Toen nog het Tarief der Justitie-kosten en Salarissen in burgerlijke zaken geheten. Wet van 28 en 29 december 1843, Stb. 37, 38, 39, 40, 66 en 67. De ontstaansgeschiedenis is verzameld door J. van den Honert, 's- Gravenhage en Amsterdam, 1843. Zie ook de conclusie van A-G Biegman-Hartogh vóór HR 26 februari 1988, NJ 1989, 28.
De door de Raad voor de Rechtspraak ingestelde Commissie verbetervoorstellen civiel heeft geadviseerd de artikelen 32 tot en met 40 Wet tarieven in burgerlijke zaken, die door Brunner in zijn noot onder HR 4 april 1987, NJ 1988, 275 als obsoleet werden bestempeld, te schrappen.
9 Van den Honert, a.w., Derde Titel. p. 3.
10 Van den Honert, a.w., Derde Titel. p. 10-11.
11 Nadien gewijzigd in salaris.
12 Van den Honert, a.w., Derde Titel. p. 26-27.
13 Van den Honert, a.w., Derde Titel. p. 112 e.v.
14 Van den Honert, a.w., Derde Titel. p. 132 e.v.
15 Van den Honert, a.w., Derde Titel. p. 155.
16 Van den Honert, a.w., Derde Titel. p. 171.
17 HR 18 juni 1993, NJ 1994, 4, m.nt HER Zo ook A-G Biegman-Hartogh in haar conclusie vóór HR 26 februari 1988, NJ 1989, 28 onder punt 4, laatste alinea.
18 Advocatenblad, 5 januari 1990, p. 12. Zie ook E.D. Rentema, Begroten, Advocatenblad 8 juni 1990, p. 284-287.
19 Wel wordt uiteengezet welke middelen de advocaat ten dienste staan die met een onwillige cliënt te maken heeft en de mogelijkheid van verzet door de cliënt tegen het bevelschrift tot betaling. Zie hiervoor Hugenholtz/Heemskerk, p. 22, 129; E.E. Minkjan, Kosten in civiele procedures, Advocatenblad, 8 maart 2002, p. 210-215; H.J. Timman met naschrift van F.H. Kernkamp, Begroten van declaraties; een archaïsche bezigheid, Advocatenblad, 14 oktober 1988, p. 462-465; De wanbetalende cliënt, Advocatendossier, 2000.
20 Zie naast de hiervoor geschetste parlementaire geschiedenis ook B.J. Polenaar, Schets van het Nederlandsche Burgerlijk Procesrecht, Haarlem, derde druk 1906, p. 61-62.