ECLI:NL:PHR:2005:AR8211

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 maart 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R04/083HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 lid 4 Wet tarieven in burgerlijke zakenArt. 243 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 243 lid 1 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 46o Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen dwangbevel voor niet-betaalde griffierechten afgewezen

In deze zaak heeft opposant verzet aangetekend tegen een door de griffier van de Hoge Raad uitgevaardigd dwangbevel tot betaling van griffierechten ter hoogte van €1.664,07, vermeerderd met kosten en BTW. Dit dwangbevel volgde op het niet voldoen van de kostenveroordeling uit een eerder arrest van de Hoge Raad van 19 december 2003.

Opposant voerde aan dat de kosten niet door hem, maar door zijn voormalige advocaat betaald zouden moeten worden en uitte tevens klachten over enkele leden van de rechterlijke macht. Hij verzocht de Hoge Raad het dwangbevel te herzien en de rechters die in hoger beroep over zijn zaak hadden geoordeeld uit hun ambt te zetten.

De griffier kwalificeerde de brief van opposant als verzet op grond van art. 243 lid 3 Rv Pro. in verbinding met art. 22 WTBZ Pro en diende een verweerschrift in waarin het verzet werd verworpen. De Procureur-Generaal concludeerde dat het verzet ongegrond is omdat geen wettelijke grondslag bestaat om de kosten op een ander dan opposant te verhalen en het verzoek tot ontslag van rechters niet ontvankelijk is.

De Hoge Raad bevestigt dat het verzet niet slaagt en verklaart het ongegrond. Er is geen basis om het dwangbevel te herzien of de rechters te ontslaan.

Uitkomst: Het verzet tegen het dwangbevel wordt ongegrond verklaard en het dwangbevel blijft in stand.

Conclusie

Rekestnummer R04/083HR
mr. De Vries Lentsch-Kostense
Parket 3 november 2004
Conclusie inzake
[Opposant] opposant op de voet van art. 22 lid 4 Wet Pro tarieven in burgerlijke zaken
Inleiding
1. Het gaat in deze zaak om een verzet van [opposant], hierna: [opposant], op de voet van art. 22 lid 4 Wet Pro tarieven in burgerlijke zaken (WTBZ) in verbinding met art. 243 Rv Pro. tegen een door de griffier van uw Raad uitgevaardigd dwangbevel.
2. Bij de beoordeling van dit verzet kan van het volgende worden uitgegaan:
i) Bij arrest van uw Raad van 19 december 2003 (rolnr. C02/214) gewezen tussen [opposant] enerzijds en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] anderzijds heeft uw Raad [opposant] veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, begroot op 1.741,07 euro in totaal, waarvan 1.664,07 euro op de voet van art. 243 lid 1 Rv Pro. te betalen aan de griffier, en 77,- euro te betalen aan [betrokkene 1]. [Opposant] heeft voormeld bedrag van 1.664,07 euro niet aan de griffier voldaan.
ii) De griffier heeft op 28 mei 2004 ten laste van [opposant] een door de voorzitter van uw Raad op dezelfde datum executoir verklaard dwangbevel uitgevaardigd dat ertoe strekt dat [opposant] voormeld bedrag van 1.664,07 euro, te vermeerderen met kosten en BTW, binnen een maand na de betekening voldoet. Dit dwangbevel is op 16 juni 2004 aan [opposant] betekend.
iii) Naar aanleiding van dit dwangbevel heeft [opposant] zich bij brief van 18 juni 2004 tot uw Raad gewend. Naast het dwangbevel en de akte van betekening heeft [opposant] zijn brief doen vergezellen van 36 bijlagen, te weten de bijlagen B 1 tot en met 15 en de bijlagen C 1 tot en met 21.
Uit de bijlagen B - in het bijzonder bijlage B2 - is onder meer af te leiden dat [opposant] van oordeel is dat voormelde kosten van het geding niet bij hem doch bij zijn voormalige advocaat gend moeten worden, kennelijk omdat hij niet tevreden is over het verloop van de procedures die tot voormeld arrest van uw Raad hebben geleid. Uit de bijlagen C blijkt onder meer dat [opposant] klachten heeft over enkele leden van de rechterlijke macht. Verwijzend naar het dwangbevel alsmede naar de akte van betekening voert [opposant] in zijn brief van 18 juni 2004 aan dat hij ervan uitgaat dat uw Raad niet op de hoogte is van de inhoud van de hiervoor genoemde bijlagen. [Opposant]s betoog strekt ertoe dat uw Raad het dwangbevel herziet, waarna uw Raad - aldus [opposant] - alles in het werk kan gaan stellen de drie rechters die in hoger beroep over de zaak van [opposant] hebben geoordeeld, uit hun ambt te doen zetten.
iv) De griffier heeft deze brief aangemerkt als een verzet op grond van art. 243 lid 3 Rv Pro. in verbinding met art. 22 WTBZ Pro. De griffier heeft daarop een verweerschrift ingediend en daarin tot verwerping van het verzet geconcludeerd.
Beoordeling van het verzet
3. Uit het tijdig ingediende verzetschrift in combinatie met de bijlagen is af te leiden dat [opposant] zijn verzet baseert op de grond dat de van hem gevorderde bedragen niet op hem doch op zijn voormalige advocaat moeten worden verhaald.
Dit verzet kan niet slagen nu art. 243 Rv Pro. noch enige andere wettelijke bepaling hiervoor een basis biedt.
4. Ik lees in het verzetschrift niet een verzoek (doch veeleer een aansporing) aan uw Raad om de in het verzetschrift genoemde leden van de rechterlijke macht te ontslaan. Een dergelijk verzoek zou ook niet ontvankelijk zijn nu ontslag van rechterlijke ambtenaren ingevolge art. 46o van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren slechts op vordering van de Procureur-Generaal kan worden verleend.
Conclusie
De conclusie strekt tot ongegrondverklaring van het verzet.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden