ECLI:NL:PHR:2005:AR8211
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen dwangbevel voor niet-betaalde griffierechten afgewezen
In deze zaak heeft opposant verzet aangetekend tegen een door de griffier van de Hoge Raad uitgevaardigd dwangbevel tot betaling van griffierechten ter hoogte van €1.664,07, vermeerderd met kosten en BTW. Dit dwangbevel volgde op het niet voldoen van de kostenveroordeling uit een eerder arrest van de Hoge Raad van 19 december 2003.
Opposant voerde aan dat de kosten niet door hem, maar door zijn voormalige advocaat betaald zouden moeten worden en uitte tevens klachten over enkele leden van de rechterlijke macht. Hij verzocht de Hoge Raad het dwangbevel te herzien en de rechters die in hoger beroep over zijn zaak hadden geoordeeld uit hun ambt te zetten.
De griffier kwalificeerde de brief van opposant als verzet op grond van art. 243 lid 3 Rv Pro. in verbinding met art. 22 WTBZ Pro en diende een verweerschrift in waarin het verzet werd verworpen. De Procureur-Generaal concludeerde dat het verzet ongegrond is omdat geen wettelijke grondslag bestaat om de kosten op een ander dan opposant te verhalen en het verzoek tot ontslag van rechters niet ontvankelijk is.
De Hoge Raad bevestigt dat het verzet niet slaagt en verklaart het ongegrond. Er is geen basis om het dwangbevel te herzien of de rechters te ontslaan.
Uitkomst: Het verzet tegen het dwangbevel wordt ongegrond verklaard en het dwangbevel blijft in stand.