ECLI:NL:PHR:2005:AR8288
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatie bij belastingfraude en feitelijk leidinggeven
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem, waarin verdachte werd veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan vier voorwaardelijk, wegens meerdere belastingdelicten, valsheid in geschrift en wapenbezit. Verdachte voerde in cassatie aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard op grond van de inkeerbepalingen van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en betwistte het feitelijk leidinggeven.
De Hoge Raad oordeelt dat het cassatiemiddel onvoldoende voldoet aan de eis van een stellige en duidelijke klacht over schending van een rechtsregel of vormvoorschrift, omdat het grotendeels een herhaling is van eerdere pleitnota's. Het hof heeft terecht geoordeeld dat de inkeerbepaling niet van toepassing is omdat de aanvullende informatieverstrekking niet duidelijk maakte dat eerdere onjuiste aangiften werden gerectificeerd.
Daarnaast bevestigt de Hoge Raad het oordeel van het hof dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen binnen de BV, mede op basis van bewijsmiddelen waaruit blijkt dat verdachte mede verantwoordelijk was voor de dagelijkse leiding en de zwarte uitbetaling van lonen.
Het cassatieberoep wordt daarom verworpen en verdachte blijft veroordeeld zoals door het hof bepaald.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en verworpen, bevestigend het oordeel van het hof.