ECLI:NL:PHR:2005:AR8296

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 februari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01562/04
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 511e.1 SvArt. 359.5 SvArt. 359.9 SvArt. 577c SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging ontnemingsmaatregel wegens vervangende hechtenis en draagkrachtverweer

In deze zaak heeft het Gerechtshof te Leeuwarden veroordeelde een ontnemingsmaatregel opgelegd ter grootte van €203.751,81, subsidiair 995 dagen hechtenis. Verzoeker stelde cassatie in tegen de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en tegen de beslissing omtrent het draagkrachtverweer.

Het hof baseerde de schatting op onverklaarbare inkomsten en uitgaven in de boekhouding van het garagebedrijf van de echtgenote van verzoeker, waarbij het hof aannam dat deze verband hielden met de hennepteelt. Verzoeker had een plausibele verklaring aangevoerd, maar het hof achtte zijn eerdere politieverklaringen geloofwaardiger.

Ten aanzien van het draagkrachtverweer had de raadsman van verzoeker expliciet verzocht om rekening te houden met diens financiële situatie, maar het hof oordeelde dat verzoeker voldoende draagkracht had, mede gelet op het geschatte vermogen en het conservatoir beslag.

De Hoge Raad oordeelde dat op grond van art. 511e.1 Sv en de toepasselijke artikelen het hof op straffe van nietigheid een gemotiveerde beslissing moest geven over het draagkrachtverweer, hetgeen hier was gebeurd. Wel vernietigde de Hoge Raad het deel van de uitspraak waarbij vervangende hechtenis was opgelegd, vanwege de toepassing van art. 577c Sv.

De overige klachten werden verworpen, waardoor het beroep grotendeels werd afgewezen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het deel van de ontnemingsmaatregel met vervangende hechtenis en verwerpt het beroep voor het overige.

Conclusie

Nr. 01562/04
Mr. Fokkens
Zitting: 21 december 2004
Conclusie inzake:
[verzoeker=betrokkene]
1. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft veroordeelde, als maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting opgelegd aan de Staat € 203.751, 81 te betalen, subsidiair 995 dagen hechtenis
2. Namens veroordeelde heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. In het eerste middel wordt geklaagd over de beslissing tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
4. De klacht komt erop neer dat het Hof ten onrechte het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft geschat op basis van onverklaarbare inkomsten en uitgaven in de boekhouding van het garagebedrijf waarvan de echtgenote van verzoeker eigenaar was. Die schatting zou onverantwoord zijn, omdat verzoeker een plausibele verklaring heeft gegeven voor de onverklaarbare inkomsten en uitgaven in die administratie, die er kort samengevat op neerkomt dat het een administratieve chaos was.
5. Het middel is ongegrond. Het Hof heeft in de gebezigde bewijsmiddelen vastgesteld dat verzoeker aan zijn boekhouder heeft gevraagd hoe hij de inkomsten uit de hennepteelt wit kon wassen en dat zijn boekhouder hem daarop op de hoogte heeft gebracht van een methode om dit via de boekhouding van zijn garagebedrijf te doen. Verzoeker heeft dat ter terechtzitting ontkend, zoals hij ook heeft tegengesproken dat bepaalde uitgaven zijn gedaan met in de hennepteelt verdiend geld, hoewel hij over dit alles tegenover de politie anders had verklaard. Nu het Hof tot de slotsom is gekomen dat verdachtes verklaringen tegenover de politie op deze punten geloofwaardig zijn, kon het Hof oordelen dat aannemelijk is dat de onverklaarbare uitgaven en inkomsten in de boekhouding van het garagebedrijf, betrekking hebben op inkomsten uit de hennepteelt en dat de verklaring van verzoeker over deze posten ongeloofwaardig is.
6. Het tweede middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte geen gehoor heeft gegeven aan het namens verzoeker gevoerde draagkrachtverweer.
7. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep volgt dat de raadsman van veroordeelde het Hof uitdrukkelijk heeft verzocht om rekening te houden met de draagkracht van verzoeker en hiertoe heeft aangevoerd dat het Centraal Justitieel Incassobureau geen regelingen treft als het om aanzienlijke bedragen gaat en verzoeker gezien zijn financiële situatie voor een betalingsregeling niet in aanmerking komt.
8. Verzoeker zelf heeft ter terechtzitting omtrent zijn financiële situatie aangevoerd:
"Op het moment leef ik en mijn gezin van de inkomsten van mijn vrouw. Mijn vrouw en ik hebben twee kinderen in de leeftijd van tien en twaalf jaar. We leven van ruim ƒ 1000 per maand. Ik heb twee jaar geleden een internetzuil opgezet, maar dat wil nog niet echt lukken.
Ik heb een schuld bij de bank. De schuld bedraagt een bedrag van ƒ 30.000. Mijn vrouw heeft ook nog een schuld bij de belasting. Er staat nog een bedrag van ƒ 150.000 open. We hebben met betrekking tot de belastingschuld een afbetalingsregeling getroffen. Al met al is mijn schuldenlast dus erg hoog. Ik heb ook nog een derde schuld, namelijk bij de bank. Het bedraagt een schuld van ƒ 100.000. Ook zijn er nog enkele andere kleine posten die betaald moeten worden. De boot die wij hadden is inmiddels verkocht en de schuld aan de Frigem is betaald. Ook het pand aan de [a-straat] is verkocht. Er ligt conservatoir beslag op het pand."
9. Het Hof heeft bij de vaststelling van de betalingsverplichting overwogen:
"Voor zover de raadsman heeft willen aanvoeren dat veroordeelde niet zal kunnen voldoen aan een eventuele verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat, verwerpt het hof dit verweer nu noch uit de stukken, noch uit hetgeen door en namens veroordeelde ter ;s hofs terechtzitting naar voren is gebracht valt af te leiden, dat veroordeelde in het geheel geen dan wel onvoldoende draagkracht heeft en dat hij daarover naar redelijke verwachtingen in de toekomst evenmin zal beschikken."
10. Dat oordeel is erg summier gemotiveerd. Het is echter niet onbegrijpelijk in het licht van de omstandigheid dat het Hof het door verzoeker met de hennepteelt verdiende vermogen op ruim tweehonderdduizend Euro heeft geschat, hoewel verzoeker beweerde dat hij er niets mee heeft verdiend en dat onder meer conservatoir beslag is gelegd tot een waarde van 400.000,- gulden. Aan de in HR 16 april 1996, NJ 1998, 168 voortvloeiende verplichting op een uitdrukkelijk gevoerd draagkrachtverweer gemotiveerd te beslissen is hiermee voldaan.
11. Het middel faalt.
12. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
13. Ambtshalve wil ik nog het volgende opmerken. Ingevolge de art. V en VI van de Wet van 8 mei 2003 tot wijziging en aanvulling van een aantal bepalingen in het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten met betrekking tot de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (Stb. 2003, 202) is op de onderhavige zaak art. 577c Sv van toepassing.
Dit brengt mee dat de bestreden uitspraak moet worden vernietigd voorzover daarbij vervangende hechtenis is opgelegd, vgl. HR 7 oktober 2003, LJN AF9473 en HR 14 oktober 2003, LJN AF8048 en LJN AG2651.
14. Deze conclusie strekt ertoe dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd, doch uitsluitend voorzover daarbij vervangende hechtenis is opgelegd en dat het beroep voor het overige zal worden verworpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
plv.