ECLI:NL:PHR:2005:AS1874

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 februari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00812/04
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 424 SvArt. 437 SvArt. 81 ROArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling cassatieberoep inzake diefstal met braak en strafoplegging hof

Verdachte is door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf wegens diefstal met braak, inclusief verbeurdverklaring en een betalingsverplichting aan de benadeelde partij. Tegen dit arrest is cassatieberoep ingesteld met twee middelen.

Het eerste middel stelt dat verdachte onterecht is veroordeeld omdat hij niet de dader zou zijn en de bewijsvoering onvoldoende en de motivering ondeugdelijk zou zijn. De Hoge Raad oordeelt echter dat dit middel niet voldoet aan de vereisten van een cassatiemiddel, omdat het geen stellige en duidelijke klacht bevat over de schending van een rechtsregel of verzuim van vormen.

Het tweede middel klaagt dat het hof een zwaardere straf heeft opgelegd dan de rechtbank zonder te vermelden dat dit met eenparigheid van stemmen is gebeurd. De Hoge Raad stelt dat de wet niet voorschrijft dat een arrest deze informatie moet bevatten en dat stemverhoudingen geheim zijn. Dit middel faalt eveneens.

De Hoge Raad ziet geen gronden voor ambtshalve vernietiging en verwerpt het cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Conclusie

Nr.00812/04
Mr. Jörg
Zitting 4 januari 2005
Conclusie inzake:
[verzoeker=verdachte]
1. Verzoeker is door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch bij arrest van 20 januari 2004 wegens diefstal met braak veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf, met verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan verzoeker een betalingsverplichting opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.
2. Namens verzoeker heeft mr. Cas Van Heugten, advocaat te Sittard, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. De eerste te beantwoorden vraag is of hier cassatiemiddelen in de zin van de wet worden gepresenteerd.
4. Bij een cassatiemiddel in de zin der wet moet het volgens vaste rechtspraak gaan om 'een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk voorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen' (vgl. HR 13 maart 2001, NJ 2001, 296 en HR 10 juli 2001, NJ 2001, 605). Aan genoemde eis voldoet niet een grief die niet klaagt over verzuim van vormen en/of schending van het recht (HR 8 april 1986, NJ 1986, 708). Ik verwijs hiervoor naar Van Dorst, Cassatie in Strafzaken, 5e, p. 85.
5. Het eerste middel vangt aan met de mededeling dat verzoeker ten onrechte is veroordeeld aangezien hij niet de dader is en niets met het 'litigieuze delict' te maken heeft. Vervolgens wordt betoogd waarom verzoeker de diefstal niet kan hebben gepleegd waarna de steller van het middel afsluit met de stelling dat de bewijsvoering onvoldoende is, terwijl de motivering onbegrijpelijk en ondeugdelijk is. De steller van het middel opteert onder meer voor vrijspraak door Uw Raad. Toe maar.
6. In de onderhavige schriftuur heb ik evenwel niet kunnen ontwaren of het hof vormen zou hebben verzuimd, en zo ja welke en waarom, dan wel het recht zou hebben geschonden, en zo ja in welk opzicht. Verder wordt op geen enkele manier aangegeven op welke manier de bewijsvoering onvoldoende is en de motivering onbegrijpelijk en ondeugdelijk is. Ik ben dan ook van mening dat het eerste middel geen middel van cassatie in de zin van de wet is.
7. Het tweede middel klaagt erover dat het hof een zwaardere straf heeft opgelegd dan de rechtbank, terwijl uit het arrest niet blijkt dat het hof zulks met eenparigheid van stemmen heeft gedaan.
8. De wet schrijft niet voor dat in een in hoger beroep gewezen uitspraak uitdrukkelijk moet worden vermeld dat aan art. 424, tweede lid, Sv is voldaan. Stemverhoudingen vallen onder het geheim van de raadkamer. Het arrest behoeft dan ook geen informatie te bevatten over de eenparigheid van stemmen (vgl. HR 15 februari 1972, NJ 1972, 240 en HR 3 mei 1994, NJ 1994, 613). Ik heb ook wel eens een cassatiemiddel gezien waarin de klacht juist was dat het hof het geheim van de raadkamer had geschonden door kenbaar te maken dat het met eenparigheid van stemmen tot een hogere straf was gekomen dan in eerste aanleg was opgelegd. Het is ook nooit goed of het deugt niet.
9. Het eerste middel is geen cassatiemiddel in de zin van art. 437 Sv Pro. Het tweede middel faalt en leent zich voor toepassing van art. 81 RO Pro. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden