ECLI:NL:PHR:2005:AS2022
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad heropent onderzoek naar uitleveringsverzoek wegens onduidelijkheden over verzetstermijn verstekvonnis
In deze zaak betreft het een uitleveringsverzoek van België aan Nederland voor strafvervolging en tenuitvoerlegging van een verstekvonnis uit 2001. De opgeëiste persoon, met de Nederlandse nationaliteit, werd bij verstek veroordeeld tot gevangenisstraf en een geldboete wegens oplichting en valsheid in geschrift.
De Hoge Raad heeft het onderzoek heropend omdat de overgelegde stukken onvoldoende gegevens bevatten om te beoordelen of het verzet tegen het verstekvonnis nog openstaat. Dit is van belang omdat het verstekvonnis onherroepelijk moet zijn om uitlevering toe te staan, gelet op het Nederlandse voorbehoud in de EU-Uitleveringsovereenkomst.
Er is uitgebreid ingegaan op de Belgische wettelijke bepalingen omtrent de verzetstermijn, die normaal vijftien dagen bedraagt na betekening van het vonnis aan de beklaagde. Daarnaast is besproken dat indien de betekening niet persoonlijk is gedaan, de termijn kan worden verlengd. Diverse Belgische jurisprudentie en adviezen van procureurs-generaal zijn aangehaald om te verduidelijken wanneer de termijn begint te lopen en wanneer verzet ontvankelijk is.
De Hoge Raad concludeert dat de mededeling van de betekening aan de opgeëiste persoon door de Nederlandse rechtbank op 1 oktober 2003 voldoende kennisgeving vormt, waardoor de verzetstermijn ruimschoots is verstreken en het verstekvonnis onherroepelijk is geworden. Daarom acht de Hoge Raad het uitleveringsverzoek ontoelaatbaar en vernietigt het eerdere besluit tot toelaatbaarheid.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het uitleveringsverzoek ontoelaatbaar omdat het verstekvonnis onherroepelijk is geworden door het verstrijken van de verzetstermijn.