ECLI:NL:PHR:2005:AS2032

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C04/045HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:681 BWArt. 7:682 lid 4 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtsgeldigheid ontslag directeur ondanks ziektemelding en stelt verjaring schadevergoeding vast

De zaak betreft een geschil tussen een directeur en zijn werkgever, Unidek Volumebouw B.V., over de rechtsgeldigheid van zijn ontslag en de vraag of het ontslag kennelijk onredelijk was. De directeur trad in november 1997 in dienst en werd in maart 1999 tijdens een buitengewone aandeelhoudersvergadering ontslagen. Na deze vergadering meldde hij zich ziek en betwistte hij het ontslag.

De werkgever bevestigde het ontslag schriftelijk en hield zich aan de geldende opzegtermijn. De directeur verrichtte geen werkzaamheden meer en ontving geen loon na de afgesproken einddatum. Hij startte een kort geding en een procedure wegens kennelijk onredelijk ontslag, maar de rechtbank wees zijn vorderingen af. Het hof bekrachtigde dit oordeel.

In cassatie werd betoogd dat het ontslag niet rechtsgeldig was en dat de schadevergoeding niet verjaard was. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het ontslag rechtsgeldig was gegeven de aandeelhoudersbeslissing en dat de vordering tot schadevergoeding was verjaard. Hiermee werd het eerdere oordeel van de lagere rechter bekrachtigd.

Uitkomst: Het ontslag van de directeur is rechtsgeldig en de vordering tot schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag is verjaard.

Conclusie

Rolnr. C04/045HR
mr. L. Timmerman
Zitting 24 december 2004
Conclusie in
[Eiser]
tegen
Unidek Volume Bouw B.V.
(hierna Unidek)
1. Feiten en procesverloop
1.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan (rov. 1.1 tot en met 1.20 van het vonnis van de rechtbank en rov. 4.2.1 tot en met 4.2.7 van het bestreden arrest).
a. [Eiser] is op 1 november 1997 bij Unidek in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in de functie van directeur met gelijktijdige benoeming tot statutair directeur.
b. Op 25 maart 1999 heeft bij Unidek een buitengewone vergadering van aandeelhouders plaatsgevonden. Als enige inhoudelijke agendapunt is tijdens die vergadering aan de orde geweest het "Besluit tot ontslag van de directie van Unidek Volumebouw B.V., i.c. [betrokkene 1] en [eiser]". [Eiser] was voor deze vergadering uitgenodigd en was ook aanwezig. Tijdens de vergadering heeft de algemene vergadering van aandeelhouders besloten [eiser] te ontslaan. Het onderscheid tussen vennootschapsrechtelijk en arbeidsrechtelijk ontslag is tijdens de vergadering niet aan de orde geweest.
c. [Eiser] heeft zich op 25 maart 1999, na afloop van de vergadering, ziek gemeld. Voorts heeft hij per brief van die datum als volgt aan Unidek bericht:
"Hierbij bevestig ik dat u mij met ingang van 22 maart 1999 op non-actief heeft gesteld en dat in de aandeelhoudersvergadering van 25 maart jl. het besluit is genomen tot ontslag over te gaan van ondergetekende. Ik deel u hierbij mede mij hier niet mee te kunnen verenigen. Verder deel ik u mede bereid en beschikbaar te zijn, na te zijn hersteld, om op uw oproep mijn eigen werk te komen hervatten."
d. Bij brief van 26 maart 1999 schreef Unidek onder meer aan [eiser]:
"Hierdoor zij bevestigd, dat de Algemene vergadering van aandeelhouders van (...) Unidek (...) van donderdag 25 maart 1999 unaniem heeft besloten U ontslag aan te zeggen (...). Direct nadat dit besluit was genomen, is U ontslag aangezegd met inachtneming van de geldende opzegtermijn. (...) De laatste dag van Uw dienstbetrekking zal dan ook op 26 april 1999 zijn."
e. [Eiser] heeft na 25 maart 1999 geen werkzaamheden meer verricht voor Unidek en over de periode na 30 april 1999 geen betalingen meer ontvangen.
f. Op 14 juni 1999 heeft de raadsman van [eiser] aan de raadsman van Unidek een (concept-)dagvaarding in kort geding, alsmede een (concept-)dagvaarding kennelijk onredelijk ontslag verzonden.
g. In verband met een door [eiser] ingesteld kort geding, waarbij hij (primair) doorbetaling van loon vorderde omdat geen rechtsgeldige opzegging van zijn arbeidsovereenkomst had plaatsgevonden en waarin op 2 september 1999 vonnis is gewezen, heeft Unidek aan [eiser] opnieuw ontslag aangezegd, nu tegen 6 december 1999.
1.2 In de onderhavige procedure heeft [eiser] - zakelijk weergegeven - gevorderd een verklaring voor recht dat het door Unidek met ingang van 6 december 1999, of een andere datum als die door de rechtbank wordt vastgesteld, verleende ontslag kennelijk onredelijk is en dat Unidek zal worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding als bedoeld in artikel 7:681 jo Pro 7:682 lid 4 BW.
1.3 De rechtbank heeft bij vonnis van 19 oktober 2001 de vordering afgewezen, kort samengevat, omdat Unidek op 25 maart 1999 de arbeidsovereenkomst met [eiser] rechtsgeldig heeft opgezegd en de vordering tot schadevergoeding wegens de kennelijke onredelijkheid van het ontslag is verjaard.
1.4 Het daartegen door [eiser] ingestelde hoger beroep had geen succes. Het hof heeft bij arrest van 14 oktober 2003 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
1.5 [Eiser] is tegen het arrest van het hof tijdig(1) met een uit zes onderdelen bestaand middel in cassatie gekomen. Unidek heeft geconcludeerd tot verwerping. Partijen hebben hun zaak schriftelijk doen toelichten. Vervolgens heeft [eiser] gerepliceerd.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1 Deze zaak is, op de datum waartegen Unidek opnieuw ontslag heeft aangezegd na, identiek aan de zaak [betrokkene 1]-Unidek, die onder rolnummer C04/044 wordt behandeld. In die zaak zegde Unidek [betrokkene 1] opnieuw ontslag aan tegen een latere datum, te weten 17 december 2000, maar dat is voor de behandeling van de zaak niet relevant.
Ik verwijs daarom naar mijn conclusie in bovengenoemde zaak.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 De cassatiedagvaarding is op 13 januari 2004 uitgebracht.