Art. 341 lid 2 FwArt. 341 lid 3 FwArt. 341 lid 6 FwArt. 342 lid 3 FwArt. 352 lid 1 Fw
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beëindiging schuldsaneringsregeling zonder verlening schone lei wegens niet-nakoming betalingsverplichtingen
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage waarin het hof het vonnis van de rechtbank Dordrecht heeft bekrachtigd dat de schuldsaneringsregeling ten aanzien van de schuldenaren is beëindigd zonder hen een schone lei te verlenen. De schuldenaren hadden een betalingsachterstand van meer dan 800 euro aan de boedel laten ontstaan, hetgeen door de rechtbank en het hof als toerekenbare tekortkoming werd beoordeeld.
De bewindvoerder had in eerste aanleg schriftelijk verslag uitgebracht over de stand van zaken en de rechtbank had de zaak aangehouden om de bewindvoerder in de gelegenheid te stellen ontbrekende inlichtingen te bestuderen. De schuldenaren waren op de tweede zitting niet verschenen. In hoger beroep verschenen zij eveneens niet, ondanks behoorlijke oproeping. Het hof oordeelde dat de schuldenaren hun stellingen omtrent de betalingsachterstand niet met bewijs hadden onderbouwd en dat er geen reden was de tekortkoming buiten beschouwing te laten.
In cassatie werd aangevoerd dat het hof onrechtmatig had gehandeld door de bewindvoerder niet te horen in hoger beroep. De Hoge Raad oordeelde dat de wetgever het oproepen en horen van de bewindvoerder in hoger beroep niet voorschrijft en dat het hof zijn beslissing hierover niet hoefde te motiveren. Ook het betoog dat het hof zich zelfstandig had moeten overtuigen van de omstandigheden werd verworpen. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het arrest dat de schuldsaneringsregeling zonder schone lei werd beëindigd wegens niet-nakoming.
Conclusie
Rek.nr. R04/044HR
Mr L. Strikwerda
Parket, 7 jan. 2005
conclusie inzake
1. [verzoeker 1]
2. [verzoekster 2]
Edelhoogachtbaar College,
1. Bij vonnis van de rechtbank te Dordrecht van 29 november 2000 is ten aanzien van thans verzoekers van cassatie, echtgenoten, hierna: de schuldenaren, de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken, met benoeming van een rechter-commissaris en een bewindvoerder. Bij vonnis van 11 april 2001 van genoemde rechtbank is het saneringsplan vastgesteld, waarin de looptijd is bepaald op drie jaar, derhalve tot 30 november 2003.
2. De bewindvoerder heeft op 20 november 2003 schriftelijk verslag uitgebracht ten aanzien van de beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Uit dit verslag bleek dat hij nog niet alle inlichtingenformulieren van de schuldenaren had ontvangen.
3. Ter terechtzitting van de rechtbank van 26 november 2003 is de zaak aangehouden tot 4 februari 2004 teneinde de bewindvoerder in de gelegenheid te stellen alsnog de inmiddels aan hem afgegeven inlichtingenformulieren te bestuderen.
4. Per fax van 3 februari 2004 heeft de bewindvoerder de rechtbank laten weten dat de schuldenaren een achterstand in de betalingen aan de boedel van Euro 877,26 hebben laten ontstaan.
5. Ter terechtzitting van 4 februari 2004, waar de schuldenaren, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet zijn verschenen, heeft de bewindvoerder meegedeeld dat de schuldenaren de ontstane achterstand in de betalingen aan de boedel niet hebben ingelopen.
6. Bij vonnis van 4 februari 2004 heeft de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van de schuldenaren beëindigd zonder aan hen een "schone lei" te verlenen. De rechtbank was van oordeel dat, gelet op de inhoud van het dossier en hetgeen ter terechtzitting is verklaard, de schuldenaren hun uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet zijn nagekomen omdat zij meer dan Euro 800,- te weinig aan de boedel hebben afgedragen. Voorts was de rechtbank van oordeel dat er geen redenen zijn om deze tekortkoming niet aan de schuldenaren toe te rekenen of te bepalen dat de tekortkoming buiten beschouwing blijft.
7. De schuldenaren zijn van het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 maart 2004. Hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zijn de schuldenaren zonder bericht van verhindering niet ter terechtzitting verschenen.
8. Bij arrest van 23 maart 2004 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe heeft het hof onder meer overwogen:
"3. Appellanten hebben in hun beroepschrift aangevoerd dat als gevolg van het faillissement van de vorige werkgever van [verzoeker 1] door hem enkele maanden geen salaris is ontvangen. Een aanvraag bij het CWI voor een faillissementsuitkering is ook nog niet afgewikkeld. Hierdoor zijn appellanten niet in staat geweest de boedelachterstand in een keer te voldoen. Appellanten hebben hun stellingen niet met schriftelijke bescheiden onderbouwd en niet ter zitting toegelicht of anderszins aannemelijk gemaakt. Daardoor is ook in hoger beroep niet gebleken dat de tekortkoming niet aan hen is toe te rekenen.
4. Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat appellanten toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen die voortvloeien uit de schuldsaneringsregeling. Niet is gebleken dat appellanten de ontstane achterstand in de betalingen aan de boedel hebben ingelopen. Voor het bepalen dat de tekortkoming buiten beschouwing dient te blijven, bestaat ook in hoger beroep geen aanleiding."
9. De schuldenaren zijn van het arrest van het hof (tijdig; zie art. 355 lid 2 joPro. 342 lid 3 Fw) in cassatie gekomen met twee middelen.
10. Middel 1 verwijt het hof ten onrechte te hebben nagelaten de bewindvoerder op te roepen en te horen omtrent de actuele stand van de schuldsanering, althans onbegrijpelijk te hebben beslist door dat na te laten.
11. Voor zover het middel wil betogen dat het hof verplicht was de bewindvoerder ter terechtzitting in hoger beroep op te roepen en te horen, is het ongegrond.
12. Art. 352 lid 1 FwPro schrijft voor dat de rechtbank een datum voor de zgn. beëindigingszitting bepaalt uiterlijk één maand voor het einde van de termijn gedurende welke de schuldsaneringsregeling van kracht is. Op deze terechtzitting wordt door de bewindvoerder een schriftelijk verslag uitgebracht en de schuldenaar woont de zitting in persoon bij (art. 353 lid 1 FwPro). Uit de gedingstukken blijkt dat deze voorschriften in eerste aanleg door de rechtbank in acht zijn genomen. De bewindvoerder heeft op de terechtzitting van 26 november 2003 en van 4 februari 2004 schriftelijk verslag uitgebracht. De schuldenaren zijn op de eerste zitting verschenen en gehoord. Voor de tweede zitting zijn de schuldenaren correct opgeroepen, doch niet verschenen.
13. Ingevolge art. 355 lid 1 FwPro kan de schuldenaar van het vonnis bedoeld in art. 354 FwPro in hoger beroep komen. De procedure in hoger beroep vindt in de wet slechts een summiere regeling. Art. 355 lid 2 FwPro verklaart de bepalingen van art. 341 lidPro 2, 3 en 6 en art. 342 lid 3 FwPro van toepassing. Geen van deze bepalingen schrijft voor dat in hoger beroep de bewindvoerder dient te worden gehoord. Mede in aanmerking genomen dat de bewindvoerder in eerste aanleg overeenkomstig het voorschrift van art. 353 lid 1 FwPro op de terechtzitting van de rechtbank schriftelijk verslag heeft uitgebracht, was het hof derhalve, anders dan het middel wil betogen, niet verplicht de bewindvoerder ter terechtzitting in hoger beroep op te roepen en te horen.
14. Voor zover het middel wil betogen dat in het licht van de omstandigheden van het onderhavige geval de beslissing van het hof om de bewindvoerder niet op te roepen en te horen zonder een toereikende motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is, kan het evenmin doel treffen. Waar de wetgever het oproepen en het horen van de bewindvoerder ter terechtzitting in hoger beroep niet heeft voorgeschreven en het er derhalve voor gehouden moet worden dat het aan het procesbeleid van het hof is overgelaten om de bewindvoerder al dan niet ter zitting op te roepen en te horen, behoefde het hof zijn beslissing dienaangaande niet te motiveren. In aanmerking genomen dat het hof - onbestreden in cassatie - heeft vastgesteld dat de schuldenaren, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering niet ter zitting van het hof zijn verschenen en dat de schuldenaren hun stellingen dat zij niet in staat zijn geweest de boedelachterstand in een keer te voldoen in verband met het faillissement van de vorige werkgever van [verzoeker 1], (dus) niet ter zitting hebben toegelicht en (ook) niet met schriftelijke bescheiden hebben onderbouwd, is 's hofs oordeel niet onbegrijpelijk.
15. Middel 2 kan evenmin tot cassatie leiden. Het strekt kennelijk ten betoge dat het hof ook daarom de bewindvoerder ter zitting had behoren op te roepen en te horen omdat het hof zich zelfstandig diende te overtuigen van de omstandigheden die toerekening van de tekortkoming aan de schuldenaren kunnen rechtvaardigen en de bewindvoerder bekend is met die omstandigheden. Het middel berust op dezelfde, als onjuist aan te merken rechtsopvatting als waarop middel 1 is gegrond en zal het lot van dit middel derhalve moeten delen.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.