ECLI:NL:PHR:2005:AS2745

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 februari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01802/04 H
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 467 SvArt. 457 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening wegens persoonsverwisseling bij medeplegen verduistering benzine

De aanvrager is door de Politierechter veroordeeld tot een geldboete van €350, subsidiair zeven dagen hechtenis wegens medeplegen van verduistering door het wegrijden zonder betalen na het tanken van benzine op 14 februari 2003 te Lelystad.

De aanvrager verzoekt herziening op grond van een persoonsverwisseling: een ander zou zijn persoonsgegevens hebben gebruikt bij aanhouding en dagvaarding. Dit wordt onderbouwd met een aangifte van diefstal van rijbewijs en identiteitsbewijs, een verklaring van een getuige die bevestigt dat de aangehouden persoon niet de aanvrager was, en verschillen in handtekeningen op de dagvaarding.

De Hoge Raad oordeelt dat deze feiten en omstandigheden een ernstig vermoeden opleveren dat de aanvrager onterecht is veroordeeld. Daarom verklaart de Hoge Raad de herzieningsaanvraag gegrond, schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Arnhem voor hernieuwde berechting volgens artikel 467 Sv Pro.

Uitkomst: Herzieningsverzoek gegrond verklaard en zaak verwezen naar gerechtshof voor hernieuwde berechting.

Conclusie

Nr. 01802/04 H
Mr. Fokkens
Zitting: 11 januari 2005
Conclusie inzake:
[aanvrager]
1. Namens [aanvrager] heeft mr. G.J. Hubers herziening aangevraagd van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Zwolle, zitting houdende te Lelystad van 22 april 2003. Bij dat vonnis heeft de Politierechter de aanvrager veroordeeld tot een geldboete van € 350,00 subsidiair zeven dagen hechtenis wegens het medeplegen van verduistering. Deze verduistering heeft bestaan uit het wegrijden zonder te betalen na het tanken van benzine op 14 februari 2003 te Lelystad.
2. De aanvraag berust op de stelling dat er sprake is geweest van een persoonsverwisseling. Een ander dan verzoeker zou de personalia van verzoeker hebben opgegeven toen hij wegens verduistering werd aangehouden en hem de dagvaarding werd uitgereikt.
3. Daartoe wordt aangevoerd dat de aanvrager aangifte heeft gedaan van diefstal van zijn rijbewijs en identiteitsbewijs. Een fotokopie van de aangifte door de aanvrager van diefstal uit een auto op zaterdag 23 november 2002 is bij de aanvrage overgelegd. De aangifte gedaan op 26 november 2002 houdt in dat de aanvrager aangifte doet namens [betrokkene 1] en dat onder andere een portemonnee, rijbewijs, identiteitsbewijs en twee bankpassen zijn weggenomen die aan de aanvrager of aan [betrokkene 1] toebehoren. Hoewel daaruit niet ondubbelzinnig blijkt dat het ontvreemde rijbewijs en identiteitsbewijs van aanvrager waren, is dat wel een duidelijke aanwijzing dat dit het geval was. Dit zou kunnen verklaren hoe de aangehouden persoon gebruik heeft kunnen maken van de persoonsgegevens van de aanvrager.
4. De stelling dat sprake is van een persoonsverwisseling wordt ook onderbouwd door een fotokopie van een ondertekende verklaring van [betrokkene 2] die deze verklaring op 26 april 2004 heeft afgelegd tegenover mr. J. van Drommelen, de kantoorgenoot van mr. Hubers. Deze verklaring komt erop neer in dat hij op 14 februari 2003 is opgepakt voor verduistering, dat hij samen was met een jongen wiens naam hij niet meer weet, maar dat het in ieder geval niet de aanvrager was.
5. Tenslotte wordt aangevoerd dat de handtekening voor ontvangst die op de akte van uitreiking van de dagvaarding voorkomt, niet de handtekening van de verdachte is. Inderdaad komen de handtekeningen van de aanvrager op de aangifte van de diefstal uit de auto en onder zijn brief van 21 juli 2003 aan de Officier van Justitie naar aanleiding van de executie van de opgelegde geldboete niet overeen met de handtekening op de akte van uitreiking van de dagvaarding. Deze dagvaarding is uitgereikt aan degene die na de verduistering van de benzine was aangehouden en verhoord, aldus het proces-verbaal van politie in het dossier.
6. Dit alles levert het ernstige vermoeden op dat de Politierechter, als hij met voormelde feiten en omstandigheden bekend was geweest, de aanvrager van het tenlastegelegde zou hebben vrijgesproken.
7. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond zal verklaren, de opschorting van de tenuitvoerlegging van het gewijsde zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te Arnhem, teneinde de zaak op de voet van art. 467 Sv Pro opnieuw zal worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv.